Blogs

  • 07 juli 2020

    Restructuring (in tijden van corona): in drie stappen naar een correcte publiekrechtelijke overgang van vergunningen

    Het zijn turbulente tijden voor ondernemingen. Veranderde marktomstandigheden vanwege de coro­na­pan­demie confronteren ondernemingen met uitzonderlijke situaties die kunnen raken aan hun con­ti­nuïteit. Herstructurering van de onderneming – door fusie of (af)splitsing - kan dan noodzakelijk zijn. In dat kader moeten mogelijk ook vergunningen overgaan die in publiekrechtelijke zin essentieel zijn voor bestendiging van de bedrijfsvoering. De ervaring leert evenwel dat dit aspect regelmatig on­- derbelicht blijft in een transactie, terwijl in sommige gevallen strafrechtelijke handhaving op grond van de Wet op de economische delicten mogelijk is. Onder omstandigheden kan dit leiden tot fikse boe­­tes met bijkomende straffen voor de vergunninghouder en/of rechtsopvolger, zoals het – deels – stil­leggen van de onderneming en het ontzetten uit bepaalde rechten. Ter voorkoming van node­loze teleurstel­­lingen na een herstructurering, zet ik een en ander op een rij in onderstaand stap­pen­plan.
  • 05 juni 2020

    Fiscale optimalisatie bij verkoop van een verhuurd bedrijfspand

    Bij de verkoop door een projectontwikkelaar van een (nieuw) bedrijfspand, zoals een kantorencomplex, komt veel kijken. De belangen van verkoper en koper lopen daarbij wellicht niet altijd synchroon. Vaststaat wel dat zowel verkoper als koper er in principe belang bij hebben de verkoop fiscaal zo voordelig mogelijk te realiseren. Belastingheffing werkt immers in principe prijsverhogend. Dat geldt ook voor de omzetbelasting (btw). Projectontwikkelaars doen er met name goed aan de fiscale aspecten goed in kaart te brengen bij de verkoop van een nieuw gebouw dat wordt verhuurd. De heffing van omzetbelasting kan onder omstandigheden worden voorkomen door een beroep te doen op een fiscale faciliteit.
  • 02 juni 2020

    Het coronavirus COVID-19 en de verwaarlozing van de democratische rechtsstaat

    Na aanvankelijke lof over de voortvarende aanpak van het kabinet bij de bestrijding van het corona­virus COVID-19, rijst langzaamaan steeds meer kritiek. Ondanks de steunmaatregelen zijn de economische gevolgen steeds sterker voelbaar. Naar verwachting staat ons een langdurige crisis te wachten. Ook functioneren de Tweede en Eerste Kamer nauwelijks en zijn de gerechten lange tijd gesloten geweest. Burgerrechten worden op grote schaal ingeperkt door de voorzitters van de veiligheidsregio’s, die door geen enkel democratisch gekozen orgaan rechtstreeks kunnen worden gecontroleerd. Hun noodverordeningen zijn gebaseerd op een twijfelachtige juridische grondslag, hebben een twijfelachtige inhoud, en kennen een twijfelachtige handhaafbaarheid. En dat terwijl overtreding niet alleen bestuursrechtelijk maar ook strafrechtelijk wordt gesanctioneerd. De vraag naar nut en noodzaak van de gekozen maatregelen staat hierbij niet ter discussie. Het gaat erom dat bij de inperking van de burgerrechten de democratische rechtsstaat moet worden geëerbiedigd. Die democratische rechtsstaat lijkt bij de bestrijding van het coronavirus echter behoorlijk te worden verwaarloosd.
  • 29 mei 2020

    Horecasluiting wegens COVID-19 leidt tot huurprijsvermindering voor huurder

    Daar is hij dan: de eerste rechterlijke uitspraak waarin een van de noodzakelijke overheidsmaatregelen als gevolg van de coronacrisis wordt aangemerkt als een gebrek zoals bedoeld in art. 7:204 lid 2 BW. Op 27 mei 2020 oordeelde de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2020:1979) in kort geding dat gelet daarop de door de huurder van de bedrijfsruimte gevorderde huurprijsvermindering op grond van artikel 7:207 BW kon worden toegewezen. Huurder en verhuurder waren weliswaar het beding overeengekomen dat betalingen ‘zonder enige korting’ dienen plaats te vinden, maar daarmee was naar het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter niet expliciet beoogd het recht op huurprijsvermindering uit te sluiten. Van belang hierbij was dat artikel 7:207 BW bij het aangaan van de betreffende huurovereenkomst nog niet bestond en dat latere ROZ-modellen (die nog steeds een vergelijkbare bepaling over ‘betalingen’ bevatten), de aanspraak op huurprijsvermindering in geval van een gebrek in een ander artikel met zoveel woorden uitsluiten, zo overweegt de voorzieningenrechter.
  • 27 mei 2020

    Staatssteun heeft verstrekkende gevolgen voor grondtransacties met projectontwikkelaars

    Op 26 mei 2020 is de langverwachte conclusie van advocaat-generaal Drijber (ECLI:NL:PHR:2020:466) gepubliceerd in de zaak tussen de gemeente Harlingen (hierna: de “Gemeente”) en Spaansen Holding B.V. (hierna: “Spaansen”) over staatssteun. In deze zaak worden piketpaaltjes geslagen op het punt van de civielrechtelijke gevolgen van staatssteun. Het is daarmee een uiterst relevante zaak voor overheden en projectontwikkelaars, die vaak aanlopen tegen de vraag of bij een grondtransactie of een andere vorm van projectontwikkeling staatssteun aan de orde is (of kan zijn).

    Net als de rechtbank Noord-Nederland heeft het hof Arnhem-Leeuwarden in deze zaak geoordeeld dat de koopovereenkomst tussen de Gemeente en Spaansen over de verkoop van grond aan de Gemeente staatssteun behelst, die ten onrechte niet is aangemeld. Evenwel anders dan de rechtbank, die oordeelde tot partiële nietigheid van de koop overeenkomst, komt het hof in het arrest van 6 november 2018 tot de conclusie dat de koopovereenkomst geheel nietig is. In zijn conclusie van 8 mei 2020 heeft A-G Drijber geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep van zowel de Gemeente als Spaansen. De A-G is het eens met het hof.

    Er is nog geen uitspraak van de Hoge Raad, maar de zaak leidt nu al tot een aantal praktische tips.

  • 20 mei 2020

    Na Omgevingswet ook inwerkingtreding Wet kwaliteitsborging voor het bouwen uitgesteld

    In het kielzog van de Omgevingswet is ook de beoogde invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) op 1 januari 2021 uitgesteld. Dat schrijft minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in haar brief van 17 april jl. aan de Tweede Kamer. De voorbereidingen voor deze wet - dat als doel heeft de bouwkwaliteit en het bouwtoezicht te verbeteren door inschakeling van private kwaliteitsborger - gaan echter onverminderd door. In dit blog praten we u graag bij.

    Lees ook ons eerdere blog met een beschouwing van de Wkb, waarin wij onder meer ingaan op de versterkte rechtspositie van opdrachtgevers bij hun aansprakelijkheid voor gebreken in het opgeleverde werk.

     

  • 19 mei 2020

    Doorkruisingsleer voorkomt dat Belastingdienst schadevergoeding van frauderende belastingadviseur krijgt

    Op 15 mei 2020 heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen over de doorkruisingsleer (ECLI:NL:HR:2020:890). Het arrest laat zien dat toepassing van de doorkruisingsleer genuanceerde materie betreft en voor lastig voorspelbare uitkomsten kan zorgen. De (mogelijke) toepassing van de doorkruisingsleer is in de praktijk veelvuldig aan de orde. Zowel overheden als burgers of ondernemingen die met de overheid te maken hebben, lopen hier tegenaan. Dit arrest biedt hen dan enige houvast.

    In dit arrest kwam de vraag aan de orde of de Staat in een civiele procedure de extra kosten die zijn ontstaan door het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften kan verhalen op de verantwoordelijke belastingadviseur. De Staat haalt bakzeil. Als onrechtmatig jegens de overheid wordt gehandeld, kan zij proberen de kosten die door haar zijn gemaakt om de gevolgen van het onrechtmatig handelen ongedaan te maken door middel van een vordering uit onrechtmatige daad op een burger te verhalen. In beginsel bestaat daartegen geen bezwaar. Dat is anders als er een bijzondere publiekrechtelijke regeling voor kostenverhaal bestaat die kostenverhaal uitsluit.

    Daarnaast kan privaatrechtelijk kostenverhaal niet zijn toegestaan als dat kostenverhaal de publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze doorkruist. Een belangrijke aanwijzing hiervoor bestaat als in de publiekrechtelijke regeling kostenverhaal langs publiekrechtelijke weg is uitgesloten (HR 11 december 1992, NJ 1994/639 (Bluskosten Vlissingen)). In dit blog ga ik verder in op het arrest van15 mei 2020 en de doorkruisingsleer.

  • 07 mei 2020

    Spoedwet maakt digitale besluitvorming door gemeenten, provincies en waterschappen  mogelijk

    Sinds 9 april 2020 is de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming van kracht (Stb. 2020, 113). Op basis van deze tijdelijke spoedwet kunnen gemeenteraden, provinciale staten en algemene besturen van waterschappen tijdelijk rechtsgeldige besluiten nemen via een digitale vergadering. Hoewel fysieke vergaderingen niet verboden zijn, is de roep om digitaal te kunnen vergaderen echter sterk nu de gezondheidsrisico’s en de richtlijnen van het RIVM dwingen tot het houden van afstand. Waar digitale besluitvorming eerder niet mogelijk was, biedt de spoedwet tot 1 september 2020 hiertoe wel de mogelijkheid. De spoedwet kan met periodes van maximaal twee maanden worden verlengd. In deze bijdrage wordt ingegaan op de positie van de gemeenteraden.