Noot bij Rb Oost-Brabant 30 januari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:475 (Noot bij Rb. Oost-Brabant 30 januari 2018, ECLI:NL:RBOBR:2019:475 (Onrechtmatigheid primair besluit, Besluitenaansprakelijkheid, Ketenbesluitvorming, (Oneigenlijke) formele rechtskracht)

Auteur

mr. N. van Triet

Verschenen in

Jurisprudentie Bestuursrecht (JB), april, afl. 4, 2019, JB 2019/59

Rechtsgebied Overheid en aansprakelijkheid
Titel Noot bij Rb Oost-Brabant 30 januari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:475

 

Eisers stelt tot slot dat de Provincie onrechtmatig heeft gehandeld door het aanvankelijk weigeren van de op 30 september 2010 aangevraagde ontheffing. Volgens eisers is met het alsnog gegrond verklaren van het bezwaar en het alsnog verlenen van de ontheffing in de nieuwe beslissing op bezwaar, de onrechtmatigheid van de aanvankelijke weigering van 4 juli 2011 gegeven.

De Provincie voert hiertegen allereerst het verweer dat het primaire besluit van 4 juli 2011 niet is vernietigd of herroepen. Het primaire besluit is volgens de Provincie onherroepelijk geworden en heeft formele rechtskracht verkregen.

De rechtbank overweegt dat als een bestuursorgaan een besluit intrekt of herroept onder mededeling dat dit geschiedt omdat het besluit onjuist is, of anderszins erkent dat een besluit onrechtmatig is, aan het ingetrokken of herroepen besluit geen formele rechtskracht toekomt. De burgerlijke rechter behoort de onjuistheid van het besluit tot uitgangspunt te nemen bij de beoordeling van een vordering die is gegrond op een onrechtmatige daad van het bestuursorgaan bij het nemen van het besluit. Indien een zodanige mededeling of erkenning niet is gedaan, hangt het af van de redenen voor intrekking of herroeping en de omstandigheden waaronder het primaire besluit is tot stand gekomen, of dat besluit onrechtmatig is in de zin van art. 6:162 BW en, zo ja, of de onrechtmatige daad aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend, met dien verstande dat de onrechtmatigheid is gegeven indien het ingetrokken of herroepen besluit berust op een onjuiste uitleg van de wet (HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1705).

Bij het primaire besluit van 4 juli 2011 is de ontheffing geweigerd. Bij besluit van 27 augustus 2013 hebben Gedeputeerde Staten de ontheffing alsnog verleend. Hiermee is het primaire besluit herroepen (art. 7:11 lid 2 Awb). Uit het besluit van 4 juli 2011 volgt dat de reden van de weigering erin was gelegen dat geen sprake is van een schriftelijke aanvraag tot verplaatsing van een intensieve veehouderij naar een concrete locatie. Geoordeeld is dat geen sprake is van een voor 20 maart 2010 gewekt gerechtvaardigd vertrouwen tot verplaatsing van een intensieve veehouderij zoals bepaald in de Verordening. De Afdeling heeft het beroep tegen de beslissing op bezwaar gegrond verklaard. Naar het oordeel van de Afdeling was wel sprake van een schriftelijke aanvraag van voor 20 maart 2010 tot verplaatsing van de intensieve veehouderij naar een concrete locatie als bedoeld in de Verordening. De Afdeling draagt Gedeputeerde Staten op om met inachtneming van haar overwegingen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarna Gedeputeerde Staten alsnog de ontheffing hebben verleend. Onder deze omstandigheden dient het primaire besluit van 4 juli 2011 naar het oordeel van de rechtbank als onrechtmatig te worden aangemerkt. De reden om alsnog de ontheffing te verlenen, ligt er immers in dat ten onrechte was geoordeeld dat geen sprake was van schriftelijke aanvraag tot verplaatsing van een intensieve veehouderij naar een concrete locatie. Dat in de nieuwe beslissing op bezwaar niet expliciet is vermeld dat het primaire besluit is vernietigd, herroepen en/of onrechtmatig is, doet hier gelet op voormelde jurisprudentie niet aan af. Dit verweer van de Provincie faalt dus.

Download artikel