Noot bij Hof Arnhem-Leeuwarden 3 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6115 (Bouwzaak. Aannemingsovereenkomst tussen Nederlandse opdrachtgevers en Duitse aannemer. Gebreken, meerwerk en minderwerk)

Auteur mr. B.T. Tonino
Verschenen in

Bouwrecht (BR), september 2018, Afl. 10, BR 2018/74

Rechtsgebied

Overeenkomstenrecht
Titel Noot bij Hof Arnhem-Leeuwarden 3 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6115 (Bouwzaak. Aannemingsovereenkomst tussen Nederlandse opdrachtgevers en Duitse aannemer. Gebreken, meerwerk en minderwerk.)

 

Bouwgeschil tussen particuliere opdrachtgevers - appellanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel - en een Duitse aannemer - appellante in het incidenteel appel, geïntimeerde in het principaal appel. Opdrachtgevers vangen overwegend bot in eerste aanleg en gaan in appel. Discussie omtrent de scope van het werk; het Hof oordeelt dat de aannemingsovereenkomst i.c. niet mede wordt bepaald door de inhoud van een door opdrachtgevers opgestelde en aan een tussenpersoon overhandigde toelichting. Voorts heeft het Hof zich de overwegingen van de rechtbank de zijne gemaakt dat gelet op de letterlijke, taalkundige betekenis van 'voltooiing' of 'volbrenging', er vanuit moet worden gegaan dat partijen met gebruik van de term 'Fertigstellung' hebben beoogd aan te sluiten bij de in de artikelen 7:750 e.v. BW bedoelde term aangaande de oplevering. De grieven van appellanten omtrent vermeende gebreken in het opgeleverde werk falen; de gebreken hadden bij de oplevering al kunnen worden geconstateerd of zijn niet of nauwelijks bewezen. Van het door opdrachtgevers gestelde minderwerk is niet gebleken. In het principaal appel zien appellanten uitsluitend hun vordering slagen waar het vergoeding van (een deel van de) deskundigenkosten betreft. Incidenteel appel van de aannemer, waarin betaling van vermeend meerwerk wordt gevorderd, faalt.

 

Download artikel