Noot bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2577 (Vertrouwensbeginsel, Gerechtvaardigd vertrouwen, Dispositievereiste)

Auteurs mr. N. van Triet
Verschenen in

Jurisprudentie Bestuursrecht (JB), oktober 2018, Afl. 11, JB 2018/157

Rechtsgebied Aansprakelijkheid en schade
Titel Noot bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2577 (Vertrouwensbeginsel, Gerechtvaardigd vertrouwen, Dispositievereiste, Beginselplicht tot handhaving, Concreet zicht op legalisering, Onevenredigheid handhaving)

 

Bij brief van 12 januari 2010 aan partij A en partij B, partij C en partij D, alsmede met een publicatie op de website van de gemeente Kampen, heeft het college bekendgemaakt dat het voornemens is om de raad van de gemeente Kampen voor te stellen om de op de percelen rustende bestemming te wijzigen, waardoor het innemen van een ligplaats voor een recreatiewoonschip bij de betreffende percelen aan De Noord niet meer zal zijn toegestaan.

Partij A en partij B, partij C en partij D hebben vervolgens begin 2011 in de insteekhaven op hun eigen perceel een recreatiewoonschip afgemeerd.

Het college is op verzoek van appellant sub 1 en appellant sub 2 overgegaan tot handhavend optreden tegen de afgemeerde recreatiewoonschepen.

Wat betreft het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de recreatiewoonschepen, waarover niet in geschil is dat het college bevoegd was handhavend op te treden, heeft de rechtbank overwogen dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar geen concreet zicht op legalisering bestond. Wel slaagt naar het oordeel van de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat partij A en partij B, partij C en partij D in de aan hen gerichte brief van 12 januari 2010 van het college en de publicatie op de gemeentelijke website het gerechtvaardigd vertrouwen konden ontlenen dat het afmeren van de recreatiewoonschepen was toegestaan en dat tegen het afmeren niet zou worden opgetreden. Nu het college heeft nagelaten af te wegen of handhavend optreden gelet op het geschonden vertrouwen zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhavend optreden behoorde te worden afgezien, heeft de rechtbank de besluiten vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college met de brief van 12 januari 2010 en de publicatie van het beleidsvoornemen op de website van de gemeente Kampen bij partij A en partij B, partij C en partij D het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat het onder de werking van het toen geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied, deel IJsselmuiden’ was toegestaan om een recreatiewoonschip af te meren en dat tegen het afmeren niet zou worden opgetreden, voor zover dat zou plaats vinden vóór de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan.

Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college weliswaar bevoegd was om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de recreatiewoonschepen, maar dat het gelet op de bij partij A en partij B, partij C en partij D gewekte gerechtvaardigde verwachtingen had moeten afwegen of handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van handhaving behoorde te worden afgezien.

Download artikel