Indien een geschil zich toespitst op de vraag of iemand belanghebbende is bij een besluit, wordt niet toegekomen aan het relativiteitsvereiste.

De Afdeling overweegt dat gezien de afstand van de percelen en de aard en omvang van de activiteit waarop de vergunning betrekking heeft, appellant aangemerkt had moeten worden als belanghebbende.

Het college heeft tevens gesteld dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit, omdat de regels van de artikelen uit de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van appellant. De Afdeling overweegt dat dit geschil zich toespitst op de vraag of appellant bij het bestreden besluit als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van de Awb. Aan de vraag of de artikelen uit de Nbw 1998 kennelijk streken tot bescherming van de belangen van appellant wordt dan ook niet toegekomen. 

Raad van State 25 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:520