Normen voor verdeling geluidruimte in bestemmingsplannen zijn volgens de afdeling ruimtelijk relevant en moeten voldoende controleerbaar zijn.

De formulering van artikel 3.1 Wro maakt het immers mogelijk een relatie te leggen tussen het beleidsterrein van de ruimtelijke ordening en het beleidsterrein van milieu. Dat bevestigt de Afdeling in haar uitspraak van 11 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:705), onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:237). De Afdeling overweegt verder dat het bestemmingsplan expliciet moet verwijzen naar de normen voor de verdeling van de geluidruimte die zijn vastgesteld. Gebeurt dat niet, dan is onvoldoende controleerbaar of de geluidnormen al dan niet gebaseerd zijn op de geluidruimte die de gevestigde bedrijven vergund hebben gekregen. Dat zou in strijd zijn met het beginsel van rechtszekerheid.