Kosten van bijstand in administratieve onteigeningsprocedure dienen integraal te worden vergoed.

De Hoge Raad oordeelt echter anders. Op de administratieve onteigeningsprocedure – die los staat van de gerechtelijke – is afdeling 3.4 Awb van toepassing. Er is in dit geval geen mogelijkheid van een kostenveroordeling. Tegen het KB staat geen beroep open. In verband met de waarborging van het recht van eigendom in art. 1 van het Eerste Protocol en in art. 14 van de Grondwet is die procedure wat betreft de rechtvaardiging van de inschakeling van deskundige bijstand niet vergelijkbaar met andere bestuurlijke voorbereidingsprocedures. Verder heeft de onteigende in de rechtbankprocedure ook altijd aanspraak op vergoeding van de kosten van bijstand, zelfs als de rechtbank het Koninklijk Besluit in stand laat. Omdat de onteigeningsrechter in beginsel niet meer mag letten op verweren tegen het Koninklijk Besluit die niet al eerder in de administratieve procedure naar voren waren gebracht, kan deskundige bijstand in die procedure nodig zijn om effectief verweer te voeren. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat art. 50 lid 4 Onteigeningswet dat kosten van bijstand voor vergoeding in aanmerking komen, ongeacht de vraag of die kosten vóór of tijdens de gerechtelijke procedure zijn gemaakt.

De Hoge Raad komt tot de conclusie dat de preprocessuele kosten op grond van art. 50 lid 4 Onteigeningswet integraal voor vergoeding in aanmerking, mits voldaan wordt aan de bekende “dubbele redelijkheidstoets”: zowel de inschakeling van de deskundige(n) als de omvang van de kosten moet redelijk zijn geweest. 

 

Bron: ECLI:NL:HR:2015:250