Tijdens schuldeisersverzuim geen contractuele rente verschuldigd

In cassatie is betoogd dat het intreden van het schuldeisersverzuim (in dit geval: door een aanbod niet te aanvaarden), tot gevolg heeft dat de schuldenaar de contractueel bedongen rente (die niet is aan te merken als vertragingsrente in de zin van art. 6:119 BW) niet verschuldigd is. De schuldenaar meende dat de contractueel bedongen rente niet diende door te lopen in het geval zijn schuldeiser hem belet zijn verplichtingen na te komen.

De regeling van het schuldeisersverzuim in art. 6:58 e.v. BW strekt ertoe de nadelen weg te nemen die voor de schuldenaar zijn verbonden aan de aan de schuldeiser toerekenbare onmogelijkheid voor de schuldenaar om diens verbintenis na te komen. Uit de wettekst en de wetsgeschiedenis van het schuldeisersverzuim kan niet worden afgeleid dat de schuldenaar slechts door middel van inbewaringstelling (art. 6:66 en 6:68 BW) of een beroep op de rechter (art. 6:60 BW) kan bereiken dat hij tijdens het schuldeisersverzuim geen bedongen rente verschuldigd wordt. Daarbij geldt dat aan inbewaringstelling bovendien enige praktische bezwaren zijn verbonden.

Met dit wettelijk stelsel en de daaraan ten grondslag liggende ratio strookt het om als uitgangspunt te aanvaarden dat de schuldenaar tijdens het schuldeisersverzuim geen bedongen rente verschuldigd wordt (net zomin als de schuldenaar tijdens het schuldeisersverzuim wettelijke rente ex art. 6:119 BW verschuldigd wordt). Het is dan immers aan de schuldeiser toe te rekenen dat de schuldenaar zijn verbintenis tot voldoening van de geldsom nog niet heeft kunnen nakomen, zodat het in beginsel redelijk is dat ten laste van hem geen bedongen rente meer loopt.

Voor de volledige uitspraak klik hier