Naleving van het omgevingsrecht na een faillissement

06-04-2020

Niemand kan precies voorspellen hoe de economie zich de komende periode zal ontwikkelen. Hoewel het gelet op de steunmaatregelen van de Rijksoverheid hopelijk niet nodig is, doen overheden (gemeenten, provincies en omgevingsdiensten) er verstandig aan om alvast te anticiperen op mogelijke faillissementen van bedrijven. Bijvoorbeeld waar het de naleving van omgevingsrechtelijke regelgeving betreft. In geval van een eventueel faillissement zal immers ook aan omgevingsrechtelijke regelgeving moeten worden voldaan: naleving van wet- en regelgeving is namelijk in het algemeen belang. Door hierop te anticiperen kan - als sprake is van een faillissement- snel, effectief, rechtstatelijk en proportioneel worden opgetreden.

Op die manier kunnen overheden door verstandig en op het juiste moment handhavingsinstrumenten in te zetten een zo goed mogelijke uitgangspositie creëren en maatschappelijke kosten en risico’s zoveel mogelijk beperken . Bijvoorbeeld door een draaiboek te maken of concept besluiten voor te bereiden.

Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van saneringskosten van fabrieksterreinen. Dat kan namelijk om substantiële bedragen gaan. Zo is de inschatting dat de sanering van het fabrieksterrein van Thermphos 87,7 miljoen gaat kosten. Een groot deel daarvan wordt uiteindelijk door overheden betaald.

Na een eventueel faillissement kunnen overheden bijvoorbeeld de curator aanspreken op zijn verantwoordelijkheid om aan de omgevingsrechtelijke wet- en regelgeving te voldoen, en zo nodig handhavend optreden tegen de curator.

Juridische grondslag

Uit inmiddels vaste rechtspraak blijkt dat de curator na het moment van faillietverklaring verantwoordelijk is voor de naleving van de gefailleerde geldende milieuwetgeving. Hierbij kan worden gedacht aan vergunningvoorschriften, maar ook aan rechtstreeks geldende milieuregelgeving zoals het Activiteitenbesluit en zorgplichten (bijvoorbeeld art. 1.1a Wet milieubeheer of art. 13 Wet bodembescherming).

Uit lagere rechtspraak volgt dat dit ook geldt voor de naleving van (de gebruiksvoorschriften uit) het bestemmingsplan. Het ligt in de rede dat hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld de naleving van de beheersverordening.

Omdat de curator verantwoordelijk is voor de naleving van milieuregelgeving kan bijvoorbeeld handhavend worden opgetreden tegen de curator. De curator kan in dat geval worden aangemerkt als overtreder (art. 5:1 lid 2 Awb). Handhaving kan bijvoorbeeld met een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang.

De vervolgvraag is of dergelijke handhavingsacties kunnen worden opgelegd aan (i) de curator in persoon (curator pro se) en/of (ii) de curator in zijn hoedanigheid als beheerder van de boedel (curator q.q.). Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de curator alleen in zijn hoedanigheid als beheerder van de boedel als overtreder kan worden aangemerkt (ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:598).

Kortom, handhavend optreden kan alleen tegen de curator q.q.; niet tegen de curator pro se.

Deze blog is onder meer gebaseerd op de volgende uitspraken:

ABRvS 11 juli 1997, ECLI:NL:RVS:1997:ZF2839, zaaknr. E03961463 (Alvat)

ABRvS 9 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA4703, zaaknr. 200604496/1 (ADF/Maasdriel)

ABRvS 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1261, zaaknr. 201104925/1/A4 (DIT)

ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:598, 201809236/1/A1 (North Refinery)

Auteur: Ronald Olivier