PAS-blog: Kunnen bedrijven met succes de stikstofproblematiek aangrijpen om andere concurrerende ontwikkelingen tegen te houden?

De stikstofproblematiek heeft grote weerslag op bedrijven actief in allerlei marktsectoren. De zogenoemde PAS-uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) hebben onder meer gevolgen voor projecten op het gebied van woningbouw, infrastructuur, landbouw en industrie. Met de PAS-uitspraken in de hand weten inmiddels verschillende milieuorganisaties en omwonenden toekomstige ontwikkelingen een halt toe te roepen door een beroep te doen op de Wet natuurbescherming (hierna: “Wnb”).

Bedrijven ervaren dus veel negatieve gevolgen voor hun bedrijfsvoering. Maar kunnen bedrijven zelf ook andere concurrerende ontwikkelingen tegenhouden die in hun ogen leiden tot aantasting van een natuurgebied, bijvoorbeeld wegens te grote stikstofdepositie? Uit een recente uitspraak van 13 november 2019 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2019:3839) volgt dat het voor bedrijven lastig – maar niet uitgesloten - is om met succes een beroep te doen op de Wnb; de wet die strekt tot bescherming van het behoud van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden.


De Wet natuurbescherming en het relativiteitsvereiste

De Afdeling heeft met de PAS-uitspraken geoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna: “ het PAS”) niet voldoet aan de Europese regelgeving, te weten de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Het PAS mag daarom niet meer als basis worden gebruikt voor toestemming voor activiteiten die leiden tot extra stikstofuitstoot op een Natura 2000-gebied. Indien bedrijven zich op het standpunt willen stellen dat een besluit ten onrechte op basis van het PAS is vastgesteld, of wanneer een plan of project anderszins in strijd is met de Wnb is vastgesteld, dan dienen zij aan te tonen dat zij een eigen belang hebben bij de bescherming van het behoud van de natuurwaarden. Deze voorwaarde, het zogenoemde relativiteitsvereiste, geldt alleen tijdens beroepsprocedures bij de rechter en vindt zijn grondslag in art. 8:69a Awb. Hieruit volgt dat een belanghebbende alleen een geslaagd beroep kan doen op een norm, indien deze norm kennelijk strekt tot de bescherming van diegene die zich daarop beroept. Er dient dus een verband te bestaan tussen de beroepsgrond en het belang waarin de belanghebbende door het besluit dreigt te worden geschaad. Indien dat kennelijk niet het geval is, dan kan de schending van die norm niet leiden tot vernietiging van het besluit.

Verwevenheid tussen bedrijfseconomisch belang en belang van natuurbehoud

Of een bedrijf een (succesvol) beroep kan doen op de Wnb, hangt af of de bedrijfseconomische belangen verweven kunnen worden geacht met het belang van het behoud van een goede staat van instandhouding van het Natura 2000-gebied.

In de hiervoor genoemde uitspraak gaat de Afdeling hierop in en maakt zij daarbij onderscheid tussen bedrijven die binnen en buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied zijn gelegen. Volgens de Afdeling strekken de bepalingen uit de Wnb kennelijk niet tot bescherming van het bedrijfseconomisch belang van degene die eigendommen heeft buiten de begrenzing van het betreffende Natura 2000-gebied. In dat geval staat het relativiteitsvereiste in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de betrokken beroepsgrond. Indien een bedrijf is gevestigd binnen van een Natura 2000-gebied, dan kan dit bijdragen aan het oordeel dat de bedrijfseconomische belangen zijn verweven met het belang van het behoud van een goede staat van instandhouding van het Natura 2000-gebied. Een voorbeeld hiervan is de ‘mosselkwekers-uitspraak’ van de Afdeling van 30 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2174). De mosselkwekers werden door aantasting van het Natura 2000-gebied direct in hun bedrijfsbelang getroffen. Het voortbrengende vermogen van het mosselperceel werd namelijk mede bepaald door de staat van instandhouding van het betrokken Natura 2000-gebied. Deze mossel, die als typische soort van het betreffende habitattype geldt, maakt immers onderdeel uit van dit Natura 2000-gebied. Hiermee was voldaan aan het relativiteitsvereiste.

Anders oordeelde de Afdeling in de uitspraak van 13 november 2019. Hier ging het om een projectontwikkelaar die opkwam tegen een bestemmingsplan dat voorzag in de uitbreiding van een horecabedrijf op Terschelling. De projectontwikkelaar voert daarbij aan dat deze uitbreiding zou leiden tot negatieve effecten op het naastgelegen Natura 2000-gebied vanwege een toename van stikstofdepositie. De Afdeling oordeelde dat de projectontwikkelaar echter eigenaar was van gronden die gelegen waren buiten het Natura 2000-gebied en dat het bedrijfseconomisch belang zag op het verkopen en verhuren van de toekomstige woningen en recreatieappartementen. Hieruit blijkt dat de Afdeling vasthoudt aan het onderscheid tussen gronden die binnen en buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied zijn gelegen. Het belang dat werd aangevoerd vormde daarbij geen aanleiding tot een ander oordeel. Volgens de Afdeling stond het bedrijfseconomische belang te ver verwijderd van het belang van de natuurbescherming om verwevenheid daartussen aan te kunnen nemen. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste een geslaagd beroep op de Wnb in de weg staat.

Afsluiting

Wanneer bedrijven een beroep willen doen op de Wnb wegens vrees voor aantasting van een nabijgelegen natuurgebied door een toekomstige ontwikkeling, is het allereerst van belang of het bedrijf binnen het Natura 2000-gebied is gelegen. Ook moet er verwevenheid bestaan tussen het bedrijfseconomisch belang en het belang van natuurbescherming. Daarmee is het voor bedrijven niet eenvoudig om met succes een beroep te doen op de Wnb, maar het is niet zeker niet onmogelijk.

Auteur: Francine van Vlijmen

Heeft u vragen naar aanleiding van dit blog? Wilt u weten hoe uw bedrijf een geslaagd beroep kan doen op de Wet natuurbescherming? Van der Feltz is u graag van dienst.

Lees ook de andere blogs in deze PAS-serie. Susanne van de Pest en Simon Olierook schreven over de contractuele kostenproblematiek bij woningbouw- en infrastructurele projecten. Daarnaast gaat Tijn Slegers in zijn blog in op de vraag of woningbouw kwalificeert als dwingende reden van groot openbaar belang.