Illegaal gedumpt drugsafval: overtreding al bij ‘wetenschap’ of pas bij ‘medeplegen’?

De illegale dump van drugsafval is vooral een maatschappelijk probleem. Een probleem dat het college van Nuenen, Gerwen en Nederwetten echter volledig voor rekening wilde laten komen van de eigenaren van het betreffende weiland in het buitengebied van Nuenen. Aan deze kwestie is in de media veel aandacht besteed.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde hierover in een uitspraak van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:622) dat de eigenaren bij de aanwezigheid van drugsafval op hun weiland niet in strijd hebben gehandeld met de planregels van het bestemmingsplan (die het dumpen van drugsafval logischerwijs niet toestaan). Evenals bij een eerder vergelijkbaar incident hebben de eigenaren namelijk geen weet gehad of redelijkerwijs kunnen hebben van de dumping tot na het moment dat het college het afval heeft laten opruimen. Dus: geen sprake van overtreding door de eigenaren, zodat geen kostenverhaal mogelijk was voor toepassing van spoedbestuursdwang tot opruiming van het drugsafval.

Voor de eigenaren een mooie en ook terechte uitkomst. Toch wekt deze uitkomst mijn zorgen, omdat het maatschappelijke probleem van illegaal gestort drugsafval met deze uitspraak niet uit de wereld is. Het omslagpunt ligt dus kennelijk bij het moment waarop een betrokken eigenaar kennis krijgt van het strijdige gebruik, maar is dat wel wenselijk, specifiek voor illegaal gedumpt drugsafval? Ik meen van niet.

Illegaal gedumpt drugsafval zal in de regel vanwege de gevaren voor de gezondheid, veiligheid en het milieu toepassing van spoedeisende bestuursdwang rechtvaardigen. Uit deze Afdelingsuitspraak volgt dat de kosten daarvan in de meeste gevallen voor rekening van de samenleving komen. Tot zover niets aan de hand. Maar wat als een oplettende agrariër niet lang na een illegale dump, althans eerder dan het bevoegde toezichthoudende instantie kennis krijgt van het drugsafval? Let wel: het gaat immers vaak om het buitengebied. Maakt de enkele wetenschap van het illegale gebruik van zijn gronden door het aanwezige drugsafval dat op dat moment ontstaat, dat de eigenaar aanstonds het afval moet laten opruimen en de kosten daarvan moet dragen? Dat lijkt mij niet wenselijk.

Ook al heeft de betrokken burger er zelf belang bij dat het drugsafval wordt opgeruimd, het is onredelijk om hem de rekening te laten betalen als het opruimen toch vooral in het algemeen belang is. De rechtspraak over medeplegen lijkt uitkomst te bieden. Daaruit volgt dat pas sprake is van medeplegen bij een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Bij medeplegen dat in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering – welke situatie ‘past’ bij het door een ander laten dumpen van drugsafval – kan bij de beoordeling of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking rekening worden gehouden met verschillende factoren waaronder de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het feit dat tot de verboden gedraging en dus overtreding heeft geleid en het belang van de rol van de betrokkene.

Afweging van deze factoren zou in de meeste gevallen bij gedumpt drugsafval ertoe leiden dat geen sprake is van medeplegen door de eigenaar van de betreffende gronden, en dus zal geen sprake zijn van (mede) handelen in strijd met artikel 2.1 lid 1 aanhef onder c Wabo door die eigenaar. Het medeplegen als omslagpunt lijkt mij wenselijker dan wanneer het ontstaan van wetenschap als omslagpunt wordt aangehouden om van een overtreding door de eigenaar in voorbedoelde zin te kunnen spreken. De wetenschap van het gedumpte afval moet leiden tot het zo spoedig mogelijk melden van die ontdekking door de eigenaar van de gronden aan de betrokken gemeente, waarna de gemeente overgaat tot opruiming van het afval. Nadien kan door de gemeente worden onderzocht of de betrokken eigenaar een rol heeft gehad bij de illegale dump, anders dan dat daarvoor slechts zijn gronden zijn gebruikt, beter gezegd misbruikt.

Zie uitgebreider hierover deze annotatie bij de Afdelingsuitspraak van 27 februari 2019 in De Gemeentestem.