Bakkie troost voor Starbucks: belastingdeal is geen staatssteun

Staatssteun wordt niet alleen verstrekt door middel van toekenning van fiscale voordelen. Overheden kunnen ook op andere wijzen ondernemingen bevoordelen. Het is zowel voor overheden als ondernemingen van belang om goed voorbereid te zijn op een onderzoek van de Commissie als zich een mogelijk geval van staatssteun voordoet. De recente uitspraak van het Gerecht van de Europese Unie waarbij Starbucks is betrokken vormt het bewijs dat staatssteunrisico’s kunnen worden gemitigeerd als partijen hun dossier op orde hebben.

In die uitspraak heeft het Gerecht van de Europese Unie beslist dat de Nederlandse Belastingdienst Starbucks geen ongeoorloofd belastingvoordeel heeft toegekend. De Europese Commissie is dus ten onrechte tot het oordeel gekomen dat Starbucks te weinig belasting heeft betaald in Nederland. Starbucks heeft geen (ontoelaatbare) staatssteun ontvangen. De Belastingdienst heeft Starbucks net als andere bedrijven behandeld.

De koffiebranderij van het Amerikaanse bedrijf Starbucks is gevestigd in Amsterdam. Daar worden koffiebonen gebrand en geleverd aan de koffiefilialen in Europa, het Midden-Oosten en Afrika. In 2008 heeft de Belastingdienst Starbucks een zogenaamde ruling gegeven (een Advance Pricing Agreement). Die ruling is een standpuntbepaling van de Belastingdienst. Daarin is opgenomen hoeveel belasting de koffiebranderij moest betalen. Dat gebeurde aan de hand van de prijzen die aan de koffiefilialen gerekend worden op basis van het zogenaamde zakelijkheidsbeginsel (‘at arm’s length-beginsel’). Dit beginsel houdt in dat groepsmaatschappijen onderlinge transacties tegen zakelijke prijzen (marktprijzen) moeten verantwoorden, dus de prijzen die onafhankelijke ondernemingen zouden hanteren. De ruling strekte er onder meer toe de vergoeding van de koffiebranderij voor haar productie- en distributieactiviteiten binnen het Starbucksconcern te bepalen. Op basis daarvan kon de belastbare winst voor de vennootschapsbelasting in Nederland worden vastgesteld. Verder legde de ruling het bedrag vast van de royalty die door de koffiebranderij aan een andere vennootschap binnen het Starbucksconcern werd betaald voor het gebruik van de intellectuele eigendom van Starbucks op het gebied van het koffiebranden. De hoogte van de royalty kwam overeen met de winst van koffiebranderij. Per saldo vond als gevolg daarvan geen belastingheffing plaats over de vergoedingen voor het branden van koffiebonen in Nederland.

In juni 2014 is de Europese Commissie een formele onderzoeksprocedure gestart ten aanzien van de door de Belastingdienst aan Starbucks afgegeven ruling. De uitkomst daarvan was dat er geen marktprijzen zouden zijn gehanteerd. Starbucks heeft dus volgens de Commissie ten onrechte een belastingvoordeel genoten en dat is (ontoelaatbare) staatssteun. De Commissie heeft vervolgens beslist dat Nederland het volgens hem onrechtmatig verstrekte voordeel (25 miljoen euro) zou moeten terugvorderen van Starbucks. Nederland heeft aan die verplichting in 2016 uitvoering gegeven. Nederland en Starbucks hebben bij het Gerecht van de Europese Unie beroep ingesteld tegen het besluit van de Commissie.

Het Gerecht van de Europese Unie verklaart het besluit van de Commissie nietig. Volgens het Gerecht slaagt de Commissie er niet in te bewijzen dat er sprake was van een voordeel ten gunste van Starbucks. De Commissie heeft ten onrechte aangenomen dat alleen al de keuze voor een bepaalde waarderingsmethode in dit geval een voordeel verschafte aan Starbucks. Ook zet het Gerecht uiteen dat de enkele constatering door de Commissie dat in de ruling de royalty niet was geanalyseerd, niet volstaat als bewijs dat deze royalty inderdaad niet in overeenstemming was met het zakelijkheidsbeginsel. Voor wat betreft de hoogte van de royalty analyseert het Gerecht de functies van de koffiebranderij die verband houden met de royalty en de vergelijkbare overeenkomsten voor het branden van koffie die door de Commissie in het bestreden besluit zijn onderzocht. Het Gerecht concludeert in dat verband dat de Commissie niet heeft bewezen dat de hoogte van de royalty nul had moeten zijn. Verder merkt het Gerecht op dat de Commissie zich niet kon baseren op gegevens die dateren van na de sluiting van de ruling. Het Gerecht overweegt ten slotte dat de Commissie niet heeft bewezen dat de door haar gestelde fouten in de toepassing van de waarderingsmethode de koffiebranderij een voordeel hebben verleend.

Het is koffiedik kijken of de Commissie hoger beroep zal instellen tegen de uitspraak van het Gerecht bij het Hof van Justitie. Als de Commissie zich neerlegt bij de uitspraak van het Gerecht wordt het teruggevorderde bedrag (25 miljoen euro) door de Belastingdienst aan Starbucks teruggegeven.

De uitspraak van het Gerecht is hier te vinden.

Meer weten over staatssteun ? Neem contact met mij op.