Wegbeheerders (goed) opgelet: vlieg bij het onderhoud aan de openbare weg niet uit de bocht!

In Nederland gaan wij prat op de goede staat van onze infrastructuur. Wereldwijd staat Nederland op de derde plek van landen met de beste infrastructuur. Op Europees niveau komt onze infrastructuur als de beste uit de bus. Wij zijn welhaast (wereld)kampioen wegonderhoud. Maar anders dan deze er­- kenning mogelijk doet vermoeden, geldt er in ons land geen wettelijke garantie op een perfecte staat van onderhoud aan de openbare weg.

Over dit onderwerp schreef ik eerder al eens een blog (link). Twee recente uitspraken van respec­tie­ve­lijk het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (link) en de Rechtbank Noord-Holland (link) geven mij hier weer aanleiding toe.

Hoewel beide uitspraken een ogenschijnlijk vergelijkbare verkeerssituatie betreffen – een bromfietser botst in de bocht van een fietspad tegen een boom, terwijl een racefietser op een bochtig fietspad botst met een tegenligger - krijgt slechts één van de appellanten de geleden schade vergoed. Hoe zit dat?


De Wegenwet verplicht (slechts) tot een goed(e staat van) onderhoud aan de open­bare weg

De Wegenwet schrijft voor dat de openbare weg in een goede staat moet verkeren (artikel 16). Hier­van is spra­ke als de openbare weg goed is onderhouden door de wegbeheerder (artikel 18). Per type open­bare weg verschilt evenwel wat onder een goed onderhoud daarvan mag worden verstaan.

Aan een snelweg kunnen en moeten hogere gebruikseisen worden gesteld dan aan een dorpsweg. Uit hoofde van de Wegenwet mag de wegbeheerder dan ook differentiëren in het te plegen onderhoud.

Al naar gelang de functie van de openbare weg, gelden er andere onderhoudsnormen, met als voor­waar­de dat de openbare weg niet onder het wettelijk daarvoor te verlangen niveau van onderhoud mag verkeren. Zo geldt er in algemene zin wél een minimum (goed) niveau, maar géén maximum (per­­fect) niveau, voor onderhoud aan de openbare weg, waaraan de wegbeheerder dient te voldoen.

Tot het uitvoeren van een perfect(e staat van) onderhoud aan openbare weg verplicht de Wegenwet dus niet. De omvang van de onderhoudsplicht van de wegbeheerder is in zoverre wettelijk beperkt.

Risicoaansprakelijkheid van de wegbeheerder bij een gevaarzettend gebrek aan de openbare weg

In de hiervoor genoemde uitspraken komen appellanten beide al (brom)fietsend ten val in de bocht van een fietspad. Deze val is volgens hen het gevolg van de gebrekkige staat van onderhoud van dat fietspad. Zij vragen aan respectievelijk de provincie Limburg en Noord-Holland de als gevolg van deze gevaarzetting gelden schade aan hun te vergoeden. Die provincies zijn daarvoor immers, als de weg­­be­­heerder van die fietspaden, risicoaan­sprakelijk (artikel 6:174 Bur­ger­lijk Wet­boek), aldus beide ap­- pellanten.

Risicoaansprakelijkheid voor een gevaarzettend gebrek aan de openbare weg wordt – kort gezegd – ge­­toetst aan de hand van: (i) de aard, functie en toestand en (ii) het te verwachten gebruik van, als­­ook (iii) de kans op de ver­­wezenlijking van gevaar en (iv) de mogelijk- en bezwaarlijkheid om vei­­­- ligheidsmaatregelen te nemen op, de betreffende openbare weg. Zoals toegelicht in mijn eerdere blog, volgt deze toetsingsmaatstaf uit het arrest Dijkdoorbraak Wilnis van de Hoge Raad uit 2010 (link).

Wil een schadevordering kansrijk zijn, dan dient de benadeelde weggebruiker aan te tonen dat de scha­­­­­­de is geleden doordat de openbare weg in kwestie niet voldeed aan het onderhoudsniveau die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Dat dit lang niet altijd eenvoudig is, blijkt andermaal uit de uitspraken van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Rechtbank Noord-Hol­land.

De (andere) wijze van toetsing van risicoaansprakelijkheid door het Gerechtshof en de Rechtbank

Het Gerechtshof oordeelt – in het kort - dat de weguitrusting van het betreffende fietspad naar objec­­- tieve maatstaven gemeten niet voldeed aan de onderhoudseisen die appellant daar redelijkerwijs aan mocht stel­len. De verkeerssituatie in de bocht was zodoende gevaarzettend - de provincie Limburg had afdoende veilig­heids­­maat­re­ge­len moeten treffen om dat te voorkomen, hetgeen ten onrechte is nagelaten.

De Rechtbank ziet dit anders. Kort ge­zegd wordt geoordeeld dat de weguitrusting ter plaatse een van oudsher bestaande situatie betrof, met beperkt ruimte voor het verkeer. Dat er mogelijk tegenliggers kunnen passeren, maakt al dui­de­lijk dat appellant de bocht niet met aanzienlijke snelheid had mogen nemen. Aldus is het betreffende fietspad geen gebrekkige zaak; verdere verkeersmaatregelen waren volgens de Rechtbank onnodig, ook omdat de kans op een on­geval op dat fietspad klein was.

Hoe valt vorenstaand verschil in de toetsing van risicoaan­spra­ke­lijk­heid van de wegbe­heer­der te dui­den? Dat is vrij lastig. Die toetsing is namelijk sterk casuïstisch van aard. Hierdoor kunnen uit de rele­­-vante recht­spraak weinig tot geen algemene conclusies worden getrokken. Boven­dien geldt in zo’n ca­suïstisch geval dat het oordeel van de rechter vaak aanzienlijk wordt gekleurd door hoe (goed) de par­tijen in kwestie procederen.

Zo wijst het Gerechtshof de Provincie Limburg erop dat zij “bij gebreke van een voldoende gemoti- veer­de betwisting […] uitgaat van de juistheid van de bevin­ding van de [verkeers]deskundige”. En de Recht­­bank werpt appellant tegen dat zijn stelling dat “het fietspad […] niet in goede staat verkeert, op geen enkele wijze [is] onderbouwd”. Tot op zekere hoogte zou dit kunnen verklaren waar­­om het Ge­rechts­hof wél maar de Rechtbank niét beslist dat er sprake is van een gevaarzettend fiets­pad.

De ene weggebruiker is de andere niet: maak op een voorzichtige wijze gebruik van de openbare weg

Om één opvallend punt aan te stippen in de vergelijking tussen beide uitspraken, wijs ik op de toetsing van onderdeel (ii), het te verwachten gebruik, uit de ‘Wilnis-maatstaf’.

Het Gerechtshof overweegt dat de Provincie Limburg er rekening mee had moeten houden dat weg­ge­- bruikers niet altijd de ma­ximumsnelheid naleven en soms onoplettend zijn. Onvoorzichtig gebruik van de openbare weg kan leiden tot eigen schuld van de weggebruiker, maar een dergelijk gebruik ont­neemt daaraan als zo­danig niet, als daarvan in objectieve zin sprake is, de kwalificatie ‘ge­brekkig’.

De Rechtbank overweegt daarentegen dat een normaal oplettende fietser vaart had geminderd in de betreffende bocht; zij betrekt deze omstandigheid direct bij het oordeel of al dan niet sprake is van een gebrekkige zaak. Dit onder de opmerking dat de onderhoudsplicht van de wegbeheerder niet zo ver strekt dat daarbij rekening dient te worden gehouden met de onoplettendheid van weggebrui­kers.

Met een slag om de arm, gezien de casuïstiek in beide uitspraken, constateer ik dat het Gerechtshof kennelijk meent dat de onderhoudsplicht van de wegbeheerder zich ook uitstrekt tot de onvoor­zich­ti­ge weggebruiker, althans dat het objectief te verwachten gebruik van de openbare weg ook derge­lijk gebruik omvat. De Rechtbank toetst dit anders, zo (b)lijkt.

Op dit onderdeel lopen beide uitspraken dan wezenlijk uiteen. Het Gerechtshof acht de provincie Lim­­burg als wegbeheerder risicoaansprakelijk en wijst de gevorderde schadevergoeding voor 65% toe we­­gens deels eigen schuld van appellant (deze reed onder de gegeven omstandigheden namelijk te hard). De Rechtbank neemt geen risicoaanspralijkheid van de provincie Noord-Holland als weg­be­heer­der aan. De vraag of er sprake is van eigen schuld doet dan (wetsystematisch) niet (meer) ter zake.

Voor de wegbeheerder valt er zo mogelijk één algemene conclusie te trekken uit beide uitspraken: een waaghals zal de geleden schade haast nooit volledig vergoed krijgen. Of überhaupt niet wegens gebrek aan risicoaansprakelijkheid van de wegbeheerder, dan wel door (forse) eigen schuld aan het veroorzaken van het ongeval op de openbare weg.

Auteur: Tijn Slegers

Tijn is voor het schrijven van deze blog genomineerd voor de Magna Charta Publieksprijs 2019 in de categorie bestuursrecht. Als kantoor zijn wij daar trots op en hopen wij natuurlijk dat Tijn zijn nominatie mag verzilveren. Mogen wij op uw stem rekenen? Stemmen kan vanaf 15 november tot 1 december via www.avdr.nl.

Heeft u vragen over deze blog? Neem dan contact met ons op, wij staan u graag te woord.