De bestemming van een 'molenaarswoning' revisited

Exploitanten en planwetgevers van windparken opgelet. Het bestemmen van een zogenaamde ‘molenaarswoning’ bij een windturbine gaat niet altijd voor de wind, zo blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 19 december 2018 (ECLI:RVS:NL:2018:4180). Hiermee wordt het bestemmingsplan voor “Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding” vernietigd.


Binding tussen woningen en windpark?

Dit plan kent aan meerdere woningen de aanduiding “overige zone – woning in de sfeer van het windturbinepark” toe. De Stichting Oldambt Windmolenvrij en anderen appelleren tegen deze planaanduiding. Zonder een reële en voldoende binding tussen de woningen en het windpark Delfzijl Zuid, zou van wonen ‘in de sfeer van’ geen sprake zijn. Volgens appellanten kwalificeren de woningen als gevoelige objecten in de zin van het Activiteitenbesluit. Aan de relevante normen uit dit besluit is ten onrechte niet door de planwetgever getoetst. De Afdeling bestuursrechtspraak gaat mee in deze beroepsgrond.

Zij oordeelt (rov 22-23) dat “niet is komen vast te staan dat er tussen [betreffende] woningen en het windpark zodanige technische, organisatorische en functionele bindingen zijn”. De woningen zijn niet samen met het windpark Delfzijl Zuid aan te merken als één inrichting in de zin van artikel 1.1 lid 4 Wet milieubeheer. Zij kwalificeren dan ook niet als een ‘molenaarswoning’ gelegen in de sfeer van dat windpark. De omstandigheden van dit geval rechtvaardigen aldus niet voornoemde aanduiding. Op basis van eerdere rechtspraak, zoals onder meer de uitspraken van 13 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3405) en 17 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:141), had de planwetgever dit wel aangenomen. Ten onrechte, zo oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak.

Relevant voor haar oordeel acht de Afdeling bestuursrechtspraak dat de bewoners van de woningen geen initiatiefnemer van het windpark Delfzijl Zuid zijn en evenmin eigenaar zijn van de grond waarop een windturbine wordt geplaatst. Bovendien zijn niet alle grondeigenaren en initiatiefnemers feitelijk bewoners van die woningen of ter plaatse gevestigd. De Afdeling bestuursrechtspraak acht het daarom niet duidelijk aangetoond dat er enige binding bestaat tussen de daadwerkelijke bewoners van deze woningen en het windpark. De enkele omstandigheid dat bij overeenkomst is bepaald dat vanuit desbetreffende woningen toezicht wordt uitgeoefend op de nabijgelegen windturbine(s), en deze toezichtstaak ook zou gelden voor de daadwerkelijke bewoners van die woningen, doet niet af aan het oordeel dat niet is gebleken van reële en voldoende bindingen tussen die woningen en het windpark Delfzijl Zuid.

Toetsing aan Activiteitenbesluit geboden

Nu de woningen in de onderhavige zaak géén onderdeel vormen van het windpark Delfzijl Zuid als inrichting in de zin van artikel 1.1 lid 4 Wet milieubeheer, had de planwetgever voor die woningen, in het kader van een goed woon- en leefklimaat bij dat windpark, behoren te toetsen aan de normen uit het Activiteitenbesluit over geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Het staat echter reeds vast dat (rov 24) ter plekke niet aan die normen kan worden voldaan. Onderhavige uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak pakt voor de planwetgever en daarmee de exploitant van het Windpark Delfzijl Zuid dus niet bepaald gunstig uit: de Afdeling vernietigt het bestemmingsplan.

Aandachtspunten planwetgever

Waar hadden zij bij de vaststelling van dat plan, in het licht van die bestaande rechtspraak, dan (nog meer) op moeten letten? Het verschil met de onderhavige zaak is dat in eerdere rechtspraak, naast het bestaan van zo’n ‘toezichtovereenkomst’ met de bewoners (als functionele binding), het windpark een gezamenlijk initiatief met de exploitant betrof (als organisatorische binding). De particuliere grondeigenaren waren mede-exploitant van het windpark. Voor een aanduiding als ‘molenaarswoning’ acht de Afdeling bestuursrechtspraak het kennelijk noodzakelijk dat deze twee omstandigheden/bindingen zich op zijn minst feitelijk voordoen. Dit oordeel is niet zo verrassend. Uit de rechtspraak bij artikel 1.1 lid 4 Wet milieubeheer blijkt immers dat doorgaans twee van drie bindingen aanwezig moeten zijn om te kunnnen spreken van een voldoende mate van binding in de zin van dat artikel. In deze zaak is daar (met alleen een functionele binding gegeven zo’n ‘toezichtsovereenkomst’) geen sprake van, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.

Overigens is ook van belang in welke mate een bepaalde binding aanwezig is, voor de mate waarin een andere binding aanwezig dient te zijn (zodat in totaliteit sprake is van een voldoende mate van binding). Mogelijk dat de Afdeling bestuursrechtspraak daarom in de uitspraak van 13 december 2017 benadrukt dat zij in de afstand van 350 meter tussen de windturbines en de woningen geen (technische) aanleiding ziet om die woningen niet als onderdeel van de inrichting aan te merken. Anderszins wordt in de uitspraak windpark Delfzijl Zuid benadrukt dat “de gestelde lokale omstandigheden niet onaannemelijk [maken] dat vanuit meerdere woningen op meerdere afzonderlijke windturbines tegelijk toezicht kan worden uitgeoefend”, hetgeen kennelijk (in technische zin) niet bijdraagt aan het betoog van de planwetgever dat die woningen voldoende en reeël verbonden zijn met het windpark Delfzijl Zuid. In dit bestemmingsplan waren dan ook 17 ‘molenaarswoningen’ aangeduid voor 16 windturbines.

Ook de lokale (meer technische) omstandigheden/bindingen kunnen aldus, naast de noodzakelijke functionele en organisatorische omstandigheden/bindingen, mede bepalend zijn voor het al dan niet kunnen aanduiden van een ‘molenaarswoning’ in een bestemmingsplan. Wil zo’n aanduiding, althans dat plan, de eindstreep halen, dan zal de planwetgever in samenspraak met de exploitant van een windpark al deze omstandigheden/bindingen, voor zover mogelijk, goed in kaart moeten brengen en als zodanig in de plantoelichting/-regels moeten benoemen. In de onderhavige zaak is dat volgens de Afdeling bestuursrechstpraak niet afdoende gebeurd. En de vraag is of dat nog gaat gebeuren. De exploitant van windpark Delfzijl Zuid zal desbetreffende bewoners/grondeigenaren dan immers mede-exploitant moeten maken van dat park, althans daarover een zekere mate van zeggenschap moeten geven, wil er alsnog aantoonbaar sprake zijn van een organisatorische binding als bedoeld in artikel 1.1 lid 4 Wet milieubeheer.

Tot slot wijs ik erop dat de Afdeling bestuursrechtspraak met deze uitspraak nog een aardige uiteenzetting geeft (in rov 6-8) over het bepalen van de belanghebbendheid van omwonenden bij het bestemmen van een windpark aan de hand van de tiphoogte van een windturbine en hoe de toepassing van het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a Awb hen de (procedurele) wind uit de zeilen kan nemen (rov 18-19).

Heeft u vragen over deze blog? Neem dan contact met ons op, wij staan u graag te woord.

Auteur: Tijn Slegers