De gevolgen van gasloos bouwen voor een bestemmingsplan

Op 15 augustus 2018 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) uitspraak (ECLI:NL:RVS:2018:2731) over een (gewijzigd) wijzigingsplan dat het planologisch kader biedt voor de bouw van 50 grondgebonden woningen. In deze procedure betogen appellanten (onder meer) dat het college van B&W in kwestie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verplichting voor gasloos bouwen, conform de inmiddels in werking getreden Wet voortgang energietransitie (hierna: Wet VET). Voor zover ik kan nagaan is dit de eerste uitspraak van de Afdeling over gasloos bouwen als gevolg van de Wet VET.


Zie over de Wet VET de blog: Gasvrije nieuwbouw vanaf 1 juli 2018: wat is de wetswijziging en wat zijn de implicaties voor lopende nieuwbouwprojecten?

Appellanten stellen dat als gevolg van de Wet VET de geprojecteerde woonwijk gasloos dient te worden ontworpen en gebouwd. Dit raakt volgens hen infrastructurele aspecten, zoals de aanleg van elektriciteitsleidingen en een transformatorhuis. Zij wijzen op de mogelijkheid van warmtepompen en de extra verharding die dat tot gevolg kan hebben. Dit zou vervolgens niet zijn meegenomen in de watercompensatieberekening. Het college en de ontwikkelaar stellen dat de wetgeving nog niet van toepassing is omdat vóór 1 juli 2018 een omgevingsvergunning voor bouwen is ingediend. Daarmee doelen zij op het overgangsrecht van artikel XVa van de Wet VET.

Na een opsomming van de relevante (gewijzigde) artikelen als gevolg van de Wet VET stelt de Afdeling eerst vast dat de Wet VET inwerking is getreden na bekendmaking van het bestreden besluit in kwestie. De Afdeling begrijpt deze beroepsgrond daarom dat het college het plan niet heeft kunnen vaststellen omdat het op voorhand in redelijk had moeten inzien dat de nog niet in werking getreden Wet VET in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van dit plan in de planperiode, aangezien ten behoeve van de in het plan voorziene 50 woningen met gasaansluiting geen omgevingsvergunning meer kan worden verleend.

De Afdeling overweegt eerst dat zij in het midden laat of in het kader van de uitvoerbaarheidstoets al rekening moest worden gehouden met de te wijzigen regelgeving. Verder is voor de Afdeling niet komen vast te staan dat vóór 1 juli 2018 een dekkende aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen is ingediend voor de 50 woningen zoals deze worden beoogd. De Afdeling laat dus ook in het midden of deze regeling toepassing mist.

Vervolgens overweegt de Afdeling dat als de nieuwe regeling van toepassing is dit primair betekent dat geen aansluitplicht geldt, tenzij het college toepassing geeft aan zijn bevoegdheid ex artikel 10 lid 7 van de Gaswet. Op grond van deze bepaling kan het college namelijk een gebied aanwijzen waar aansluiting op het gastransportnet strikt noodzakelijk is om zwaarwegende redenen van algemeen belang, waaronder begrepen de maatschappelijke kosten en baten. Het is de Afdeling echter niet gebleken dat het college voornemens is het plangebied als een dergelijk gebied aan te wijzen. De Afdeling ziet uiteindelijk geen grond voor het oordeel dat het college de voorzieningen die volgens appellanten nodig zijn ingeval van gasloos bouwen niet zouden kunnen worden verwezenlijkt binnen de kaders van het vastgestelde plan. Mij is in dit verband gebleken dat binnen de bestemming “Wonen” van het bestemmingsplan, waarin onderhavig wijzigingsplan zijn grondslag vindt, nutsvoorzieningen toestaat.

Uit deze uitspraak maak ik kortom op dat gasloos bouwen een rol zou kunnen spelen in het kader van de uitvoerbaarheidstoets, maar dat dit eenvoudigweg kan worden ondervangen door de voorzieningen die nodig zijn voor gasloos bouwen planologisch mogelijk te maken binnen de woonbestemming.

Standaard op de hoogte blijven van onze juridische ervaringen? Meld u hier aan voor onze nieuwsbrief!