Verzoek om gegevens onder de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017

De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 is sinds 1 mei jongstleden vervangen door de in februari en juli 2017 door de Tweede Kamer respectievelijk Eerste Kamer aangenomen Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017. In november vorig jaar heeft de Kiesraad en vervolgens de Referendumcommissie bekend gemaakt dat er een raadgevend referendum moest komen over de nieuwe Wiv. Vanwege de referendumuitslag van 21 maart jongstleden en het behalen van de kiesdrempel, is de Wiv opnieuw aangepast. Het is echter niet waarschijnlijk dat het openbaarmakingsregime van de Wiv 2017 materieel is gewijzigd. Artikelen 51 en 55 lid 1 van de oude Wiv 2002 zijn namelijk zonder wijzigingen overgenomen in de artikelen 80 en 84 lid 1 van de huidige Wiv 2017. In deze blog worden de kaders van het openbaarmakingsregime van de Wiv 2002 geschetst, en daarmee die van de Wiv 2017, mede naar aanleiding van een recente Afdelingsuitspraak van 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2017:3508.

Recht op kennisneming van gegevens verwerkt door diensten

Op grond van de Wiv 2017 kan een ieder een verzoek indienen bij de minister tot het kunnen kennisnemen van niet-actuele persoonsgegevens (par. 5.2 Wiv 2017) en andere gegevens dan persoonsgegevens (par. 5.3 Wiv 2017). Voor kennisneming van dergelijke gegevens kunnen valide (persoonlijke) redenen bestaan, zoals bijvoorbeeld werd betoogd door een oud gemeenteraadslid van de gemeente Schipluiden (zie ABRvS 11 mei 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT5374, rov. 2.3).

Het gaat bij een verzoek om kennisneming als bedoeld in de Wiv steeds om gegevens verwerkt door of ten behoeve van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst of de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst. Op een verzoek om kennisneming is de Wet openbaarheid van bestuur uitdrukkelijk niet van toepassing. Uitgangspunt van de Wiv is namelijk, anders dan die van de Wob, dat door of ten behoeve van inlichtingen- en veiligheidsdiensten verwerkte gegevens gezien hun aard in beginsel geheim dienen te blijven. De Wob kent juist de openbaarmaking van informatie als uitgangspunt.

Achtergrond van voornoemd uitgangspunt van de Wiv is dat inlichtingen- en veiligheidsdiensten hun wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief kunnen uitoefenen, waarbij de bronnen en actuele werkwijzen geheim moeten kunnen blijven. Het geven van inzicht in de bronnen en actuele werkwijzen gaat ten koste van het goed functioneren van de diensten en daarmee ten koste van de nationale veiligheid, ter bescherming waarvan de diensten juist zijn opgericht.

Beoordeling verzoek om kennisneming van gegevens

Hoewel geheimhouding als gezegd als uitgangspunt geldt voor de Wiv, volgt uit de parlementaire geschiedenis van de Wiv en zoals ook wordt bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak, dat een weigering van een verzoek tot kennisneming van gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst, een deugdelijke motivering dient te bevatten. Die motiveringsdrempel is evenwel tamelijk laag. Zo geldt op grond van artikel 82 lid 2 Wiv 2017 indien een aanvraag tot kennisneming van persoonsgegevens wordt afgewezen door de minister, dat bij de motivering van die afwijzing kan worden volstaan door in algemene termen de op de aanvraag van toepassing zijnde weigeringsgronden toe te lichten, zonder (en anders dan onder de Wob) dat per weggelaten passage de desbetreffende weigeringsgrond hoeft te worden vermeld. Een en ander brengt met zich dat ten aanzien van de kennisneming van persoonsgegevens - waarop de Afdelingsuitspraak van 7 maart 2018 ziet - de minister in de besluitvorming niet hoeft aan te geven of er ook actuele gegevens van de aanvrager beschikbaar zijn (rov. 5.1).

Ondergrens deugdelijke motivering

Als ondergrens voor een deugdelijke motivering geldt dat de weigeringsgronden concreet moeten worden gemaakt door de minister. Dit betekent dat moet worden uitgelegd waarom de toepassing van (een van) de weigeringsgronden specifiek voor een voorliggend verzoek om kennisneming aan de orde is. Het in algemene bewoording vermelden waarom informatie over bronnen, het actuele kennisniveau en de actuele werkwijze van de dienst geheim moeten blijven, is om die reden dan ook onvoldoende. Het moet de verzoeker sinds een drietal Afdelingsuitspraken van 15 november 2017 in enigermate duidelijk worden waarom openbaarmaking van (delen van) de door hem verzochte informatie is (zijn) geweigerd (ECLI:NL:RVS:2017:3112, rov. 5.1-5.3, ECLI:NL:RVS:2017:3112, rov. 5.1-5.3 en ECLI:NL:RVS:2017:3060, rov. 5.3).

Verzwaarde motiveringsplicht

Onder omstandigheden geldt bij de beslissing op een aanvraag tot kennisneming van persoonsgegevens en andere gegevens dan persoonsgegevens een verzwaarde motiveringsplicht voor de minister. Zo kunnen uitlatingen van de commissie die toezicht houdt op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten – de CTIVD – en welke uitlatingen afwijken van het standpunt van de minister zoals vervat in een besluit op een aanvraag tot kennisneming van (andere dan persoons)gegevens, leiden tot een verzwaring van de motiveringsplicht van de minister bij een weigering tot de kennisneming van die gegevens (ECLI:NL:RVS:2017:3508).

Uit de Afdelingsuitspraak van 7 maart 2018 volgt verder, en in het verlengde van de Afdelingsuitspraak over de rol van uitlatingen van de CTIVD, dat ook de inhoud van een besluit van de minister een verzwaring van de motivering van de in dat besluit opgenomen gedeeltelijke weigering met zich kan brengen (rov. 9). Een meldingsformulier en een vergaderingsverslag werden door de minister gedeeltelijk verstrekt, terwijl eenzelfde type meldingsformulier en idem vergaderingsverslag in het geheel niet werden geopenbaard. Gelet hierop, na bestudering van de betreffende documenten en op basis van een aanvullende motivering van de minister, is de Afdeling van oordeel dat de weigering zonder nadere motivering niet gerechtvaardigd is.

Tip voor praktijk: zowel voor verzoeker als bevoegd gezag

Een en ander betekent dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek tot kennisneming van (persoons)gegevens, de wel (gedeeltelijk) openbaar gemaakte gegevens in onderling samenhang moeten worden bezien en beoordeeld en vervolgens dat in gelijke zin moet worden beslist op de aanvraag indien de inhoud van de gegevens daartoe aanleiding geeft. Voor een verzoeker om kennisneming betekent een en ander dat na ontvangst van een beslissing op een verzoek om kennisgeving van (persoons)gegevens, moet worden nagegaan (voor zover mogelijk) of de verstrekte en niet-verstrekte gegevens met elkaar te rijmen zijn.

Door: Mark West