Verjaring van bestuursrechtelijke geldschulden: verdere versoepeling eisen rechtsgeldige aanmaning

Al sinds inwerkingtreding van de bestuursrechtelijke geldschuldenregeling in titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (‘Awb’) is er veel te doen over de verjaring van bestuursrechtelijke geldschulden en de mogelijkheden tot stuiting van de verjaring. Vooral bij de verjaring van dwangsommen speelt verjaring een belangrijke rol; de verjaringstermijn is immers slechts één jaar na het verbeuren van de dwangsom (art. 5:35 Awb). Regelmatig bleek pas bij de Afdeling bestuursrechtspraak dat de bevoegdheid tot invordering al enige tijd verjaard was.


  • Wetgeving

De Awb biedt een aantal mogelijkheden om de verjaringstermijn te verlengen (art. 4:111 Awb) of te stuiten (art. 4:105 en 4:106 Awb). Eén van de stuitingshandelingen die een bestuursorgaan kan verrichten is het versturen van een aanmaning. Uit artikel 4:106 Awb blijkt echter dat niet elk briefje een stuitingshandeling is. De aanmaning moet namelijk voldoen aan de vormvereisten van artikel 4:112 Awb. Volgens het eerste lid maant het bestuursorgaan de schuldenaar aan om binnen twee weken te betalen. Uit het derde lid van dit artikel blijkt dat een aanmaning moet vermelden dat betaling bij niet tijdige betaling kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.

  • Rechtspraak

Uit een uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014 blijkt dat voor de vraag of rechtsgeldig is gestuit niet relevant is of een te korte betalingstermijn (zoals in die zaak: 8 dagen) in de brief is opgenomen in plaats van de wettelijke termijn (14 dagen).

Op 22 juli 2015 oordeelde de Afdeling dat uit een aanmaning onmiskenbaar moet blijken dat als niet wordt betaald na afloop van de daarin vermelde betalingstermijn dwanginvordering zal volgen. In de “aanmaning” in deze zaak had de gemeente niet gewaarschuwd voor invorderingsmaatregelen. Er was dan ook geen geldige stuitingshandeling verricht, waardoor de bevoegdheid tot invordering was verjaard.

Vervolgens heeft de Afdeling in twee uitspraken van 27 juli 2016 een nieuwe, buitenwettelijke, stuitingsmogelijkheid gecreëerd: ook een mededeling waarbij een bestuursorgaan haar recht op nakoming voorbehoudt, stuit de verjaring.

Verder volgt uit een uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017 dat behalve een eerste dwangbevel ook een tweede dwangbevel de verjaring stuit. Over die uitspraak schreef ik al eerder een blog. Ook blijkt uit de rechtspraak dat zowel een eerste als een tweede aanmaning de verjaring stuit.

  • Verdere versoepeling

In een uitspraak van 11 april 2018 zet de Afdeling de soepele lijn voort:

- Het gegeven dat de brief afkomstig is van een deurwaarderskantoor (en dus niet van het college) betekent niet dat de brief geen aanmaning in de zin van art. 4:112 Awb is.

- Het gegeven dat in de brief het woord “aanmaning” niet staat is niet doorslaggevend.

- Dat de rechtsmaatregelen bij gebreke van betaling niet worden gespecificeerd maakt niet dat geen sprake is van een aanmaning. De gerechtelijke maatregelen volgen volgens de Afdeling uit de wet.

  • Commentaar

De soepele lijn van de Afdeling is wat mij betreft niet te soepel nu de schuldenaar in ieder geval weet wat hem/haar te doen staat (simpelweg betalen) en duidelijk is wat de consequenties zijn als dat niet gebeurt. Deze ontwikkeling past bij het consultatievoorstel voor de Evaluatiewet bestuursrechtelijke geldschuldenregeling Awb, welk wetsvoorstel – als het wetsvoorstel daadwerkelijk het Staatsblad haalt – beoogt om overtreders minder snel te laten profiteren van verjaring van bestuursrechtelijke dwangsommen. Het voorgaande neemt niet weg dat het de overheid in zijn algemeenheid zou sieren als zij haar schuldenaars (zeker als het om particulieren gaat) goed en volledig informeert.


Dit blogbericht is geschreven naar aanleiding van de volgende uitspraken:

ABRvS 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3603

ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412

ABRvS 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2301

ABRvS 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2087

ABRvS 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2088

ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:667

ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1068

ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1210


Auteur: Ronald Olivier