Noblesse oblige (“adeldom verplicht”)?

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) oordeelt op 28 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:680) achter gesloten deuren dat het verzoek van Hugo Klynstra om zijn achternaam te wijzigen in ‘de Bourbon de Parme’, terecht door de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie is gehonoreerd. Het besluit en de uitspraak in hoger beroep hebben tot gevolg dat de geslachtsnaam wordt voorafgaan door de adellijke titel ‘prins’ en het predicaat ‘Koninklijke Hoogheid’.


  1. Het recht op de naam en de Wet op de adeldom

Het recht op de naam is geregeld in Titel 2 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dat begint met artikel 1:5 waarin de verkrijging van een geslachtsnaam is geregeld. In het elfde lid van deze bepaling is expliciet opgenomen dat adeldom niet overgaat op het kind indien het kind niet de geslachtsnaam van zijn adellijke vader verkrijgt. Adeldom wordt immers alleen via de mannelijke lijn ‘doorgegeven’. Op grond van artikel 1:7, eerste lid, van het BW kan eenieder de Koning verzoeken zijn geslachtsnaam te wijzigen.

Het Nederlandse adelsrecht is grotendeels geregeld in de Wet op de adeldom (hierna: Woa). Verlening van adeldom geschiedt door verheffing, inlijving of erkenning, zo blijkt uit artikel 2 van de Woa. Artikel 3 van de Woa bevat een regeling voor overgang van adeldom op buiten het huwelijk geboren kinderen. Het systeem van geslachtsnaamverandering en de verkrijging van adeldom zoals hiervoor is geschetst brengt in de onderhavige procedure met zich dat de verkregen adeldom wordt geacht ‘gesluimerd’ aanwezig te zijn geweest vóór de verwerving van de adellijke geslachtsnaam.[1]

  1. Feiten en procesverloop in eerste aanleg

Bij zijn geboorte verkreeg Hugo Klynstra de naam van zijn moeder omdat hij uitsluitend in een directe familierechtelijke betrekking tot haar stond. Hoewel zijn vader, prins Carlos de Bourbon de Parme, nooit heeft ontkend de biologische vader te zijn, heeft hij het vaderschap evenmin erkend. Wel heeft bij beschikking van 1 april 1999 een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap plaatsgevonden. Wanneer Hugo 18 jaar is, verzoekt hij de Koning zijn achternaam te wijzigen naar die van zijn adellijke biologische vader. Dit verzoek wordt door de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie ingewilligd en brengt met zich dat Hugo voortaan door het leven zal gaan als ‘Zijne Koninklijke Hoogheid Carlos Hugo Roderik Sybren prins de Bourbon de Parme’. Zowel prins Carlos de Bourbon de Parme, als het Huis Bourbon de Parme (hierna ook: ‘Huis’) hebben hiertegen bezwaren en gaan in beroep. De rechtbank oordeelt echter ambtshalve dat het Huis niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe overweegt zij dat de toewijzing van het verzoek om geslachtsnaamverandering niet tot gevolg heeft dat een nieuwe tak van het Huis Bourbon de Parme wordt gecreëerd en dat daarmee de belangen van het Huis niet rechtstreeks door het besluit worden geraakt. Ten aanzien van het beroep van prins Carlos, oordeelt de rechtbank dat artikel 3 van de Woa geen onderscheid maakt in de wijze waarop het vaderschap is komen vast te staan en dat de bepaling daarom ook van toepassing is bij gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Dát het vaderschap is komen vast te staan door gerechtelijke vaststelling, vormt daarmee een zelfstandige grondslag voor het inwilligen van het verzoek om wijziging van de geslachtsnaam.

  1. De beslissing in hoger beroep

In hoger beroep verkrijgen Prins Carlos en Huis Bourbon de Parme geen inhoudelijk andersluidend oordeel met als gevolg dat het besluit tot wijziging van de geslachtsnaam in stand blijft. De uitspraak biedt evenwel om twee bestuursrechtelijke redenen aanleiding voor nadere bespreking, namelijk: de behandeling van de procedure achter gesloten deuren enerzijds en het ontvankelijkheidsoordeel ten aanzien van Huis de Bourbon de Parme anderzijds.

III.1 Openbaarheid versus gesloten deuren

In afwijking van artikel 8:62, eerste lid, van de Awb heeft de onderhavige procedure in beide instanties achter gesloten deuren plaatsgevonden. Aan openbaarheid wordt groot gewicht toegekend gelet op het feit dat dit als grond- en mensenrecht is vastgelegd in de artikelen 121 van de Grondwet, artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en ten slotte ook in artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Op de hoofdregel van openbaarheid zijn enkele uitzonderingen toegestaan die limitatief zijn opgenomen in het tweede lid van artikel 8:62 van de Awb. Deze uitzonderingen omvatten de belangen van openbare orde of de goede zeden, de veiligheid van de Staat, belangen van minderjarigen, de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen en het ‘vangnet’ van de goede rechtspleging. Slechts wanneer de bestuursrechter van oordeel is dat een van deze uitzonderingen zich voordoet, vindt de zitting achter gesloten deuren plaats. Partijen kunnen hier om verzoeken, maar de rechter kan ook ambtshalve beslissen. Wel moet de bestuursrechter hiertoe een uitdrukkelijke beslissing nemen en dient de zwaarwegende reden te worden opgenomen in het proces-verbaal van de zitting op grond van artikel 8:61, vijfde lid, van de Awb. Uit de jurisprudentie, alsmede uit de literatuur komt naar voren dat de bestuursrechter zeer terughoudend omgaat met het honoreren van inbreuken op het beginsel van openbaarheid. Dat hij daartoe ambtshalve overgaat, komt zo mogelijk nog minder voor. Om die reden is het dan op z’n minst opmerkelijk te noemen dat de hier besproken procedure achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden, te meer nu dat in vergelijkbare zaken waarin geslachtsnaamverandering centraal staat, doorgaans niet gebeurt. Zo blijkt uit de uitspraak niet op welke uitzonderingsgrond de rechter uitdrukkelijk heeft besloten de zitting aan de openbaarheid te onttrekken en of hij dat ambtshalve heeft gedaan of op verzoek van partijen.

III.2 Huis Bourbon de Parme als ‘andere entiteit die herkenbaar is in het rechtsverkeer’

Sinds de ‘Occupy-uitspraak’ (ABRvS 23 april 2014, AB 2014/232 m.nt. H.D. Tolsma), is het vaste rechtspraak dat de hoedanigheid van belanghebbende niet alleen aan natuurlijke personen of rechtspersonen is voorbehouden, maar dat, gelet op de formulering ‘degene wiens’ in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, ook andere entiteiten als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Voorwaarde daarbij is dat zij als entiteit herkenbaar zijn in het rechtsverkeer. Behalve de Occupy-beweging, zijn in de jurisprudentie nog geen andere entiteiten, niet zijnde natuurlijk persoon of rechtspersoon, aangemerkt als belanghebbende. In deze uitspraak echter, oordeelt de Afdeling, anders dan de rechtbank, dat Huis Bourbon de Parme wel degelijk als belanghebbende kan worden aangemerkt. Ten aanzien van de hoedanigheid van het Huis overweegt de Afdeling dat blijkens de website en de activiteiten die worden ontplooid, sprake is van een andere entiteit die herkenbaar is in het rechtsverkeer. Ook is de Afdeling van oordeel dat de belangen van Huis Bourbon de Parme rechtstreeks worden geraakt, omdat de adellijke huisregels niet toestaan dat een buiten het huwelijk om geboren kind, de titel prins het predicaat Koninklijke Hoogheid verkrijgt, hetgeen op grond van de wet wel is toegestaan.

Dit lijkt mij niet alleen een alleszins navolgbaar ontvankelijkheidsoordeel van de Afdeling, maar doet tevens eer aan de uitdrukking ‘adeldom verplicht’.


[1] E.J. Wolleswinkel, Nederlands adelsrecht: Wettelijke adeldom als historisch gegroeid instituut (diss. Maastricht) Den Haag: Stichting De Nederlandse Leeuw 2012, p. 191.