Wegslepen van een voertuig; waarop te letten?

Het overbrengen en in bewaring stellen van een op een aangewezen weggedeelte staand voertuig - simpeler gezegd het wegslepen van een voertuig - vindt plaats door middel van de uitoefening van de bestuursdwangbevoegdheid ex artikel 125 van de Gemeentewet. Aan de uitoefening van deze bevoegdheid – in de praktijk gaat het vaak om fout geparkeerde auto’s – stelt de Wegenverkeerswet 1994 eisen.

Wettelijke vereisten

Op grond van artikel 170 lid 1 en onder c van de Wegenverkeerswet 1994 (‘Wvw’) geldt voor het wegslepen van voertuigen een tweetal voorwaarden. Allereerst dient sprake te zijn van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Te denken valt aan parkeren langs een gele onderbroken streep (zie artikel 24 lid 1 onder e van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Daarnaast dient het wegslepen van het voertuig ook noodzakelijk te zijn, (bij de c-grond van artikel 170 lid 1 van de Wvw) in verband met het vrijhouden van een aangewezen weg(gedeelte). Of ook voldaan is aan de tweede voorwaarde, zo lijkt uit de tekst van artikel 170 lid 1 van de Wvw te volgen, vereist steeds een beoordeling ter plaatse, te maken door een gemeentelijke verbalisant.

Zie in dit verband de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1570, AB 2015/169 m.nt. L.J.A. Damen, r.o. 3.1) en 12 december 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB9937, r.o. 2.3.1). In beide uitspraken ging het om een auto die geparkeerd stond langs een gele onderbroken streep - de overtreding. Verder stond de auto in de eerstgenoemde uitspraak geparkeerd nabij een inrit van een bedrijf als gevolg waarvan een vrachtwagen een voor het laden lossen noodzakelijk te maken draai niet kon maken, in de tweede uitspraak ging het om een verkeerd geparkeerde auto op een aangewezen weggedeelte waar een put aanwezig was en alwaar Eneco werkzaamheden zou gaan verrichten – de omstandigheden, ter plaatste beoordeeld, die noodzaakte tot het wegslepen.

Bij de waardering van de situatie ter plaatse ten behoeve van het vaststellen of sprake is van een situatie die noodzaakt tot het wegslepen van een voertuig, valt blijkens de parlementaire geschiedenis te denken aan de verkeersintensiteit, de snelheid waarmee op de weg wordt gereden, de overzichtelijkheid van de verkeerssituatie ter plaatse, de tijd van de dag, de aard en de hoedanigheid van de weg en zelfs de weersomstandigheden (Kamerstukken II 1973/1974, nr. 3, pag. 5).

Toetsing door de bestuursrechter

Uit de Afdelingsuitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1694) blijkt evenwel (en voor het eerst uitdrukkelijk) dat de vereiste noodzakelijkheid voor het wegslepen in bepaalde gevallen reeds bij voorbaat kan vaststaan, dus zonder een beoordeling ter plaatse. Het gaat hier volgens de Afdeling bestuursrechtspraak om doorgaande en voortdurend intensief over de volle breedte gebruikte verkeerswegen, waarbij (of beter gezegd waarop) strijdig stilstaan direct tot verwijdering van het voertuig in kwestie aanleiding geeft (zie r.o. 3.4; zie ook Kamerstukken II 1973/1974, nr. 3, pag. 5). Dit is een (verkeers)situatie die voor veel straten in grote gemeenten zal opgaan.

Dit oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak verdient verdere bespreking vanwege het gegeven dat het betrokken college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam de bevoegdheid voor de bestuursdwangtoepassing baseerde op artikel 170 lid 1 en onder c van de Wvw. Dit onderdeel ziet als gezegd op de noodzaak tot het wegslepen van een voertuig in verband met het belang van het vrijhouden van een aangewezen weg(gedeelte). Artikel 170 lid 1 van de Wvw kent nog een tweetal andere onderdelen: onderdeel a ziet op het wegslepen van een voertuig in het belang van de veiligheid op de weg, onderdeel b op het belang van de vrijheid van het verkeer.

Hoewel de Afdeling bestuursrechtspraak in voornoemde uitspraak van 28 juni 2017 geen onderscheid maakt tussen de a, b of c-grond voor het oordeel dat het verwijderen van een voertuig kan plaatsvinden zonder beoordeling van de noodzakelijkheid ter plaatse vanwege de intensiteit waarmee een weg wordt gebruikt, valt dat onderscheid wel te maken. Zo is het belang van het vrijhouden van een weg(gedeelte) sec, evident bij het in strijd met de wet parkeren op een invalideparkeerplaats (ABRvS 12 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC4218, r.o. 2.4), parkeren op een parkeerplek voor vergunninghouders (ABRvS 29 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4116, r.o. 2.3), parkeren op een parkeervak bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen (ABRvS 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:823, AB 2015/172 m.nt. L.J.A. Damen, r.o. 4.2) en recenter parkeren op een parkeervlak dat is gereserveerd voor een ‘deelauto’ zoals die van ConnectCar (ABRvS 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2514, r.o. 3.2). Minder evident lijkt het toepassen van de c-grond van artikel 170 lid 1 van de Wvw voor het verwijderen van auto’s die verkeerd geparkeerd staan, alleen vanwege het gegeven dat de betreffende verkeersweg over de volle breedte intensief wordt gebruikt. In dergelijke situaties lijkt veeleer het belang van de veiligheid op de weg en de vrijheid van het wegverkeer – de a respectievelijk b-grond van artikel 170 lid 1 van de Wvw – in het gedrang te komen en daarmee te nopen tot de verwijdering van een voertuig.

Hoewel in de uitspraak van 28 juni 2017 wordt benoemd dat sprake is van een smalle straat en er in de spits veel fiets- en autoverkeerde is - omstandigheden die vooral iets zeggen over de mate van hinder en/of gevaar - lijkt de Afdeling bestuursrechtspraak het onderscheid tussen de a, b en c-grond niet (uitdrukkelijk) van belang te achten.

Advies voor de praktijk

Wellicht is voornoemd onderscheid toch een aspect voor het bevoegde gezag om rekening mee te houden. De a, b of c-grond van artikel 170 lid 1 van de Wvw (gelezen in samenhang met artikel 125 van de Gemeentewet) vormt immers de grondslag voor het na afloop van het wegslepen (vgl. artikel 170 lid 2 van de Wvw en ter illustratie ABRvS 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3697, r.o. 2.4.1) te nemen bestuursdwangbesluit.