Bestemmingsplan helemaal onderuit door te beperkt cultuurhistorisch onderzoek

In de uitspraak van 8 november 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), ECLI:NL:RVS:2017:2993 gaat het om de reikwijdte van het cultuurhistorisch onderzoek dat een gemeenteraad dient te verrichten bij de vaststelling van een bestemmingsplan.

Cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke ordening
Sinds 1 januari 2012 schrijft artikel 3.1.6, lid 5, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) voor dat de toelichting bij een bestemmingsplan – behalve als dit in voorkomende gevallen al is opgenomen in het milieueffectenrapport - een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Volgens de Nota van Toelichting gaat het bij cultuurhistorische waarden over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. Gemeenten moeten ten behoeve van voornoemde beschrijving een analyse verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan verbinden die in een bestemmingsplan worden verankerd. Hierdoor vermindert de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten, omdat aan het belang van de cultuurhistorie dan waarde wordt toegekend via het proces van de ruimtelijke ordening.

Casus
Een appellante stelt in beroep bij de Afdeling dat de bij de vaststelling van een bestemmingsplan uitgevoerde analyse van de cultuurhistorische waarden ontoereikend is. Dit, omdat de gemeenteraad zich ten onrechte heeft beperkt tot een deel van het plangebied, namelijk de historische linten en bepaalde mogelijk aan te wijzen beschermde monumenten, terwijl er in de rest van het plangebied ook cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig zijn. Het had volgens appellante in de rede gelegen deze objecten bij gebleken cultuurhistorische waarden de in het plan gehanteerde dubbelbestemming “Waarde – Cultuurhistorie” toe te kennen, zodat deze objecten ook tegen sloop zijn beschermd.

Uitspraak Afdeling
De uitspraak van 8 november 2017 is een einduitspraak die volgt op de tussenuitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1159. In deze tussenuitspraak overweegt de Afdeling dat artikel 3.1.6, lid 5, aanhef en onder a, Bro niet zo ver gaat dat het een verplichting aan de gemeenteraad oplegt om ieder cultuurhistorisch waardevol object te voorzien van een beschermingsregeling. Daarentegen legt deze bepaling de gemeenteraad wel een verplichting op om voor het gehele plangebied in de plantoelichting te beschrijven op welke wijze met de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Door zich in de plantoelichting te beperken tot een deel van het plangebied heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan in strijd met artikel 3.1.6, lid 5, aanhef en onder a, Bro vastgesteld.

Bij genoemde tussenuitspraak kreeg de gemeenteraad een herstelmogelijkheid om via de bestuurlijke lus alsnog nader cultuurhistorisch onderzoek te verrichten. De gemeenteraad heeft blijkens de einduitspraak van deze herstelmogelijkheid geen gebruik gemaakt. De sanctie die de Afdeling daar aan geeft is niet licht. Zij vernietigt de vaststelling van het gehele bestemmingsplan. Hieruit volgt duidelijk dat gemeenteraden het voorgeschreven cultuurhistorische onderzoek niet lichtvaardig mogen opvatten.