Aansprakelijkheid accountant, verhouding tussen tucht- en civiele rechter

De Hoge Raad heeft op 22 september jl. een interessant arrest gewezen over de verhouding tussen het oordeel van de tuchtrechter en de civiele rechter. 

Civielrechtelijke zorgvuldigheidsnorm versus tuchtrechtelijk norm
De Hoge Raad stelt voorop dat de civiele rechter niet is gebonden aan uitspraken van de tuchtrechter. Dat is al jaren vaste rechtspraak (vgl. o.a HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:831, NJ 2015/479, HR 10 januari 2003, LJN AFO690 (Portielje/notaris, ECLI:NL:HR:2003:AF0690, en HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532, NJ 2015/479). Een veroordeling door de tuchtrechter dat is gehandeld in strijd met de voor het desbetreffende beroep geldende normen en regels is geen opstap naar civiele aansprakelijkheid. Het tuchtrecht streeft andere doelen na dan het civiele aansprakelijkheidsrecht en de in het tuchtrecht gehanteerde norm is niet (zonder meer) gelijk te stellen met de in het civiele aansprakelijkheidsrecht geldende norm. De civiele rechter stelt daarbij hoge eisen aan de bewijslast.

Brede motiveringsplicht
De civielrechtelijke zorgvuldigheidsnorm is dus een andere dan de tuchtrechtelijke, maar het oordeel van de civiele rechter moet “wel voldoende begrijpelijk” zijn in het licht van het tuchtrechtelijke oordeel. Er geldt een brede, verzwaarde motiveringsplicht voor de civiele rechter bij afwijking van een uitspraak van de tuchtrechter  Op dat vereiste gaat het mis in deze zaak.

Casus
De kern van het verwijt dat de accountant wordt gemaakt, is dat hij op verschillende momenten zorgvuldiger had moeten adviseren en indringender had moeten waarschuwen voor bepaalde risico’s. Zowel rechtbank als hof hadden - ondanks een tuchtrechtelijke veroordeling door de Accountantskamer - geen civiele aansprakelijkheid van de accountant aangenomen.

Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad acht dit oordeel onbegrijpelijk, temeer nu het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de accountant onvoldoende kritisch tegenover betrokkene en de door laatste voorgestelde financiers is geweest. Het hof heeft volgens de Hoge Raad onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe zijn oordeel dat er geen grond is voor verwijtbaarheid zich verdraagt met hetgeen volgens de uitspraak van de Accountantskamer van de accountant verwacht had mogen worden. Het is immers de taak van een adviseur/accountant kritisch te kijken naar de voorgestelde potentiële financiers en te wijzen op risico’s die de opdrachtgever en/of derden niet onderkennen. De omstandigheid dat geen van de betrokken partijen argwaan koesterde en niet alle financiers waren verzonnen, doet niet af aan de gehoudenheid van de adviseur/accountant om nader onderzoek te doen naar de voorgestelde financiers. Het hof heeft bovendien onbestreden vastgesteld dat bij het waarheidsgehalte van de voorgestelde financiers vraagtekens kunnen worden geplaatst. Het feit dat de accountant geen bijzondere expertise had op het gebied van potentiële financiers biedt in dit verband evenmin een doorslaggevende motivering. De door het hof genoemde omstandigheden dat de betrokkene zichzelf bij eiser heeft gemeld, dat hij kennelijk erg overtuigend overkwam en gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen om de waarheid te verbloemen maken naar het oordeel van de Hoge Raad niet begrijpelijk waarom deze schade in de verhouding tussen eiser en accountant volgens het hof in het geheel niet aan de accountant is toe te rekenen. 

Hoe nu verder?
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar een ander hof. Dat hof zal moeten vaststellen of de accountant onrechtmatig heeft gehandeld door niet te waarschuwen en of er causaal verband bestaat tussen deze tekortkoming en de schade. 

De in het arrest gegeven lijn kan ook worden toegepast op aansprakelijkheden van andere beroepsbeoefenaars zoals medici, notarissen en advocaten. Zie bijv. recent Hoge Raad 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2444 (beroepsaansprakelijkheid advocaat) en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8279 (beroepsaansprakelijkheid advocaat).
 

Auteur: Margot de Buck

Hoge Raad 22 september 2017,  ECLI:NL:HR:2017:2452