Slagschaduw, geluid en de WOZ-waarde bij planschade door windparken

Inleiding

Mede door het Energieakkoord worden in Nederland steeds meer windturbines gebouwd. Nederland is echter een vol land. Er zijn dus maar weinig plekken waar windturbines gebouwd kunnen worden zonder dat er in de buurt andere personen of bedrijven zijn die mogelijk schade lijden door de windturbines.

De windturbines kunnen in dat geval al snel leiden tot verzoeken om vergoeding van planschade. Een dergelijk verzoek wordt ingediend bij kort gezegd het bevoegd gezag dat het schadeveroorzakende besluit heeft genomen. In de praktijk spreken de desbetreffende overheidsinstantie en de exploitant van het windpark vaak af dat de windparkexploitant de planschadevergoeding aan de desbetreffende overheid betaalt.

Daarnaast komt het voor dat personen of bedrijven die hinder ervaren van windturbines rechtstreeks schade vorderen van de exploitant van de windturbines. Over dat onderwerp schreef ik eerder een blog.

Planschade

Voor de vraag of sprake is van planschade moet een planologische vergelijking worden gemaakt. Ook moet uiteraard sprake zijn van schade. Die planschade kan bijvoorbeeld een waardedaling van de woning zijn. De taxatie van schade veroorzaakt door windmolens blijkt in de praktijk vaak lastig te zijn. In dit blogbericht ga ik naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2017 in op een aantal aspecten die een rol spelen bij het bepalen van de planschadevergoeding.

In de zaak die aanleiding is voor deze blog ging het om een vrijstelling op grond artikel 19 van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening. Deze vrijstelling in combinatie met de bouwvergunning maakte de realisatie van drie windturbines van het type Enercon E-82 3 MW mogelijk in Giessenlanden in de provincie Zuid-Holland.

Slagschaduw

Ter voorkoming van slagschaduwhinder zijn de windturbines in deze zaak uitgerust met een zogenoemde stilstandregeling die de rotor stopt als er slagschaduw optreedt bij een aantal woningen. In deze zaak werd betoogd dat de stilstandregeling op de windturbines niet bij de planvergelijking mocht worden betrokken, omdat daarvoor geen voorschriften in de vrijstelling zouden zijn opgenomen.

Het college van B&W van de gemeente Giessenlanden verweert zich daartegen door aan te voeren dat de stilstandregeling deel uitmaakt van de aanvraag om de vrijstelling en bouwvergunning. Aangezien de vrijstelling en bouwvergunning overeenkomstig die aanvraag zijn verleend, zijn de aanwezigheid en het gebruik van de stilstandregeling volgens het college als vereisten aan de vrijstelling verbonden. In dat verband heeft het college toegelicht dat de vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend omdat uit de aanvraag bleek dat aan alle voorschriften was voldaan en zonder de stilstandregeling zou niet aan alle voorschriften zijn voldaan.

Kortom, indien de aanwezigheid en het gebruik van de stilstandregeling aan de vergunning(en) zijn verbonden, is geen sprake van slagschaduwhinder. De stilstandregeling moet in dat geval betrokken worden bij de beoordeling van een planschadeverzoek. Dit aspect van de uitspraak maakt ook nog maar eens het belang van een zorgvuldig opgestelde aanvraag duidelijk.

Geluid

Daarnaast blijkt uit de uitspraak van de Afdeling ook dat het feit dat de windturbines extra geluidhinder veroorzaken niet per definitie tot waardedaling van het perceel leidt. In dit geval neemt de geluidhinder op het perceel gemiddeld niet toe. In de nacht kan weliswaar enige extra geluidhinder van een windturbine worden verwacht, maar dit windturbinegeluid zou niet in de woning hoorbaar zijn. Uit de uitspraak blijkt dat indien extra geluidhinder vrijwel alleen in de nacht plaatsvindt (op welk moment bewoners doorgaans in de woning verblijven) en het perceel al aanzienlijke geluidhinder van een snelweg en een spoorweg heeft (in dit geval de Betuwelijn), deze extra geluidhinder niet hoeft te leiden tot waardedaling van het perceel.

Relevantie WOZ-waarde

Naast de hierboven genoemde uitspraak heeft de Afdeling op 21 juni 2017 een uitspraak gedaan waarin de relevantie van de WOZ-waarde bij de beoordeling van planschade aan de orde komt. Een waardedaling van de WOZ-waarde is in beginsel niet relevant voor de beoordeling van de planschade. Als het verschil tussen de WOZ-waardedaling en de waardedaling in het taxatieadvies over de planschade echter aanzienlijk is, rust op het bestuursorgaan een verzwaarde motiveringsplicht. 


Auteur: Ronald Olivier


Dit blogbericht is geschreven naar aanleiding van de volgende uitspraken:

ABRvS 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1637, zaaknr. 201509469/2/A2

ABRvS 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2025, zaaknr. 201603787/1/A2