De Nederlandse Staat is niet aansprakelijk voor algemeen toezichtsfalen op naleven van het asbestverbod

Casus

Dit is de eerste zaak waarin een asbestslachtoffer de Staat aansprakelijk heeft gesteld, niet als werkgever of in verband met een van de tegemoetkomingsregelingen, maar in verband met algemeen toezichtsfalen. 

Eiser is van 1977 tot eind 2011 in dienst geweest bij aluminiumsmelter Zalco te Vlissingen. Daar kwam hij in aanraking met asbest. In oktober 2009 is bij eiser de diagnose mesothelioom, een agressieve vorm van kanker gesteld. Zijn werkgever erkende uiteindelijk aansprakelijkheid, maar ging in 2011 failliet. Eiser liep daardoor inkomsten mis en moest aanspraak doen op een WIA-arbeidsongeschiktheidsuitkering. Hij meent dat de Staat die schade moet compenseren omdat de Arbeidsinspectie, die onderdeel is van de Staat, naar zijn mening onvoldoende toezicht heeft gehouden op de gang van zaken en het gebruik van asbesthoudende materialen in het bedrijf.

De vordering van eiser is verjaard voor zover deze betrekking heeft op de periode tot 20 februari 1993. Het gaat in cassatie enkel nog om de periode van 20 februari 1993 tot het einde van de jaren ’90.

Toezichtshoudersaansprakelijkheid

Vanaf 1 juli 1993 bestaat een wettelijk asbestverbod, neergelegd in het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet (Stb 1993, 135). Op de Staat rust een verplichting om toezicht te houden op het verbod op gebruik van asbest.  Het houden van onvoldoende toezicht kan onder omstandigheden onrechtmatig zijn jegens de werknemer. Van onrechtmatig handelen kan met name sprake zijn als de schade van de werknemer voor de toezichthouder (op basis van voldoende ernstige en concrete aanwijzingen) voorzienbaar was en haar in redelijkheid had moeten nopen tot het nemen van schadevoorkomende maatregelen. Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met de in beginsel grote mate van beleids- en beoordelingsvrijheid van de Arbeidsinspectie. De Hoge Raad  hanteert hierbij een terughoudend regime: aansprakelijkheid wordt niet snel aangenomen.  De stelplicht en bewijslast rusten in beginsel op de werknemer.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad bekrachtigt het oordeel van het Hof en wijst aansprakelijkheid van de Staat wegens algemeen toezichtsfalen van de hand. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft eiser onvoldoende concrete feiten gesteld om te kunnen aannemen dat de Arbeidsinspectie in de relevante periode tekort is geschoten bij het toezicht en daarom onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld. Eiser heeft onvoldoende aangevoerd ter weerlegging van de stelling van de Staat dat de Arbeidsinspectie van meet af aan het asbestverbod daadwerkelijk heeft gehandhaafd.

Voor zover eiser bedoelt te stellen dat in de relevante periode blootstelling aan asbest bij Zalco heeft plaatsgevonden en dat daaruit op zichzelf volgt dat de Staat onvoldoende toezicht heeft gehouden, kan die stelling, die neerkomt op een risicoaansprakelijkheid van de Staat, niet worden aanvaard. Ook de stelling van eiser dat hij en zijn collega’s de Arbeidsinspectie nooit op de werkvloer van Zalco hebben gezien leidt op zichzelf niet tot aansprakelijkheid van de Staat wegens toezichtsfalen. Het enkele feit dat individuele werknemers het toezicht niet hebben waargenomen, betekent niet dat de Arbeidsinspectie zijn toezichthoudende taak niet of niet naar behoren heeft uitgeoefend, waarbij in aanmerking wordt genomen dat voor het toezicht op een aantal vereisten van de regelgeving niet de fysieke aanwezigheid van de Arbeidsinspectie vereist is. Bovendien geldt ook hier dat aan de Staat een aanzienlijke beleids- en beoordelingsvrijheid toekomt bij de handhaving van asbestregelgeving.

Auteur: Margot de Buck