Ook tweede dwangbevel stuit verjaring van bestuursrechtelijke dwangsommen

04-05-2017

Ook een tweede dwangbevel stuit de verjaring van bestuursrechtelijke dwangsommen. Dit blijkt uit een uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017.


Hoe zat het ook alweer?

Bestuursrechtelijke dwangsommen verjaren snel: na slechts één jaar (art. 5:35 Awb). Wel biedt de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) aan bestuursorganen een aantal mogelijkheden om de verjaringstermijn te verlengen (art. 4:111 Awb) of te stuiten (art. 4:105 en 4:106 Awb).

Bestuursorganen kunnen de verjaring stuiten door:

- Het instellen van een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 3:316 lid 1 BW (artikel 4:105 lid 1 Awb).

- Een aanmaning die voldoet aan de eisen van artikel 4:112 Awb (4:105 lid 2 Awb).

- Een beschikking tot verrekening (artikel 4:106 Awb).

- Een dwangbevel (artikel 4:106 Awb).

- Een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel (artikel 4:106 Awb).

- Een mededeling waarbij een bestuursorgaan ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehoudt. Deze buitenwettelijke stuitingsmogelijkheid blijkt uit twee uitspraken van de Afdeling van 27 juli 2016: ECLI:NL:RVS:2016:2087 & ECLI:NL:RVS:2016:2088.

Daarnaast stuit ook erkenning van het recht door de schuldenaar de verjaring (artikel 4:105 lid 2 Awb).

Uitspraak Afdeling

Uit een uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017 blijkt dat behalve het eerste dwangbevel ook een eventueel tweede dwangbevel de verjaring stuit.

In deze uitspraak gaat het om het volgende.

Het college van B&W van de gemeente Maastricht had een last onder dwangsom opgelegd wegens strijd met artikel 6 en 13 van de Wet bodembescherming en artikel 10.1, 10.2 en 10.60 van de Wet milieubeheer wegens het niet opschonen van haar terrein. Op dat terrein vonden zich, volgens het college, asbesthoudende afvalstoffen en behoorlijk cryptisch “andere materialen”.

Er is een dwangsom verbeurd op 16 december 2014. Dat betekent dat de bevoegdheid tot invordering, als deze niet gestuit zou worden, zou verjaren op 16 december 2015. Op 10 maart 2015 neemt het college een invorderingsbeschikking (geen stuitende werking). Op 30 maart 2015 verstuurt het college een aanmaning (stuiting tot 30 maart 2016). Op 9 juli 2015 maakt het college vervolgens een nieuw dwangbevel bekend (stuiting tot 9 juli 2016). De overtreder betaalt nog steeds niet en op 7 juli 2016 maakt het college een (deels hernieuwd) dwangbevel bekend (stuiting tot 7 juli 2017).

De Afdeling oordeelt in haar uitspraak dat ook dit tweede dwangbevel de verjaring heeft gestuit. Dat is geen verrassend resultaat gelet op de lijn van de Afdeling dat ook de tweede aanmaning stuitende werking heeft (bijvoorbeeld ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412 & 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:667). Overtreders zullen hierdoor steeds minder eenvoudig de dans kunnen ontspringen doordat de bevoegdheid tot invordering verjaard is. Dat lijkt (mede) gelet op het consultatievoorstel voor de Evaluatiewet bestuursrechtelijke geldschuldenregeling Awb ook een wens van de wetgever te zijn.

Auteur: Ronald Olivier