Beroepsaansprakelijkheid advocaat voor ondeugdelijk cassatiemiddel

In zijn arrest van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411 maakt de Hoge Raad duidelijk waar de grenzen liggen van de beroepsaansprakelijkheid van (in dit geval) de cassatieadvocaat.


De achterliggende procedure

Verweerster in cassatie heeft van in ieder geval van juli 1997 tot en met december 1998 bij de Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor Zaaigoed en Pootgoed van Landbouwgewassen (“NAK”) gewerkt. Op 26 april 1999 is zij arbeidsongeschikt geraakt. In december 2003 heeft zij NAK gedagvaard en schadevergoeding gevorderd, omdat haar arbeidsongeschiktheid het gevolg zou zijn van onvoldoende luchtafzuiging tijdens haar werk. NAK heeft in die procedure als verweer gevoerd dat verweerster in de periode waarin de afzuiginstallatie onvoldoende zou hebben gefunctioneerd, wegens (niet-arbeidsgerelateerde) ziekte was uitgevallen. De kantonrechter wijst de vorderingen af.

In een passage van haar memorie van grieven (“de bewuste passage”) heeft verweerster in cassatie opgemerkt dat zij wel degelijk in de periode dat de afzuiginstallatie niet goed werkte, is blootgesteld aan het ‘stof’. Daarnaast heeft zij notulen als productie overgelegd waaruit zou volgen dat zij in de bewuste periode werkzaam was bij NAK. Het Hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter omdat verweerster in cassatie de stellingen van NAK onvoldoende heeft weersproken.

Eiseres in cassatie (de voormalige advocaat van verweerster) heeft vervolgens namens verweerster cassatieberoep ingesteld. In het cassatiemiddel heeft zij echter niet verwezen naar (i) de bewuste passage in de memorie van grieven en niet (ii) naar de passage in de notulen. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3379, met toepassing van art. 81 RO verworpen.

Onderhavige procedure

Verweerster heeft in onderhavige procedure gevorderd dat de overeenkomst van opdracht tussen haar en eiseres wordt ontbonden en dat eiseres wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding.

De rechtbank was van oordeel dat eiseres niet heeft gehandeld overeenkomstig de eisen die kunnen worden gesteld aan een redelijk handelend en redelijk bekwaam (cassatie)advocaat, omdat zij in het cassatiemiddel niet heeft verwezen naar de bewuste passage in de memorie van grieven, zodat het middel niet voldeed aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv. De rechtbank heeft de overeenkomst van opdracht ontbonden en eiseres veroordeeld het honorarium en de kosten aan verweerster terug te betalen. Deze beslissingen zijn in het verdere verloop van de procedure niet bestreden. In hoger beroep heeft verweerster eveneens aangevoerd dat eiseres had moeten verwijzen naar de passage uit de notulen. Het hof oordeelt dat indien de klacht op juiste wijze zou zijn geformuleerd en indien dus zou zijn verwijzen naar (i) de bewuste passage uit de memorie van grieven en (ii) de passage uit de notulen, de kans 50% is dat de Hoge Raad het arrest van het hof zou hebben vernietigd.

Cassatie

Het middel is met name gericht tegen het oordeel dat de beroepsfout van eiseres mede erin bestaat dat zij in het cassatiemiddel niet heeft verwezen naar de passage in de notulen van het werkoverleg. Aangevoerd wordt onder meer dat een partij die producties overlegt, moet aangeven wat de relevantie daarvan is en op welke passages uit die producties zij zich beroept. Zo niet, dan mag de rechter de producties negeren, hetgeen niet in cassatie kan worden hersteld

De Hoge Raad verwijst naar jurisprudentie waaruit volgt dat de rechter slechts te letten heeft op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan. De enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vgl. HR 10 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1176, NJ 1994/686).

Nu het hof in dit geval ervoor heeft mogen kiezen om de notulen buiten beschouwing te laten, kon het (alsnog) in cassatie naar de bewuste passage verwijzen bij voorbaat al niet tot cassatie leiden. Eiseres heeft daarom ook geen beroepsfout gemaakt door niet toch in het middel naar die passage in de notulen te verwijzen.

Dat niet altijd duidelijk is tot hoever de plicht van een ‘redelijk handelend en redelijk bekwaam (cassatie)advocaat’ gaat, blijkt uit het feit dat de Hoge Raad contrair gaat aan de conclusie van F.F. Langemeijer, die heeft geconcludeerd dat het naar voren brengen van de passage uit de notulen in het cassatiemiddel wel toelaatbaar zou zijn geweest in cassatie.

In ieder geval is zorgvuldigheid geboden door de advocaat, bij het behandelen van cassatiezaken. In een voorafgaand cassatieadvies moet daarbij goed worden aangegeven wat in cassatie mogelijk is (en vooral ook wat niet), om dit soort procedures bij de deur te stoppen.

Auteur: Nikky van Triet