De Hoge Raad over de stelplicht en bewijslast bij letselschade

In een arrest van 17 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:273) onderstreept de Hoge Raad nog eens de eisen die moeten worden gesteld aan de stelplicht en de bewijslast van letselschade.


Casus

Eiser vordert inkomensschade die hij zou hebben geleden als gevolg van whiplash-gerelateerde klachten die zijn veroorzaakt door een ongeval in 1989. In 1988 heeft hij het diploma Milling Technologist behaald aan de Swiss School of Milling en in 1991 heeft hij het bedrijf van zijn vader overgenomen, de watermolen ‘De Poolmolen’. Dat bleek sowieso geen vetpot, maar eiser wijt een gebrek aan inkomsten aan zijn whiplash.

Bij de rechtbank baseert eiser zijn vordering op het feit dat hij door het ongeval niet de mogelijkheid heeft gehad om de productie van zijn bedrijf verder uit te bouwen. Dat had hij wel graag gewild, want als vierde generatie zou het molenaarsvak hem in het bloed zitten. De rechtbank wijst de vordering af, omdat uit diverse onderzoeken is gebleken dat een rendabele exploitatie van de watermolen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid ook in de situatie zonder ongeval niet mogelijk zou zijn geweest. Op de achtergrond speelt bovendien een persoonlijkheidsonderzoek mee dat naar eiser is verricht, waaruit is gebleken dat diens algehele functioneren nadelig beïnvloed wordt door zijn psychische gesteldheid.

In hoger beroep wijzigt eiser de grondslag van zijn vordering. Hij stelt dat hij in de hypothetische situatie zonder ongeval na zijn afstuderen De Poolmolen zou zijn gaan exploiteren, maar dat hij dit slechts gedurende een periode van drie jaar zou hebben gedaan. Vanaf juni 1991 zou hij een baan elders hebben gezocht omdat De Poolmolen slechts een resultaat zou genereren op minimaal bestaansniveau. Hij zou die andere baan ook gevonden hebben vanwege zijn diploma als Milling Technologist. Ter onderbouwing verwijst hij naar verklaringen en LinkedIn-profielen van anderen die bij de Swiss School of Milling zijn afgestudeerd.

Het Hof wijst de vordering opnieuw af. Daarbij wordt overwogen dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, uit het carrièreverloop van studiegenoten niet kan worden afgeleid dat ook eiser zonder ongeval daadwerkelijk eenzelfde carrière zou hebben geambieerd, nog daargelaten of hij daarin gezien zijn psychische gesteldheid zou zijn geslaagd. Daar komt bij dat eiser eerder heeft betoogd dat het molenaarsvak hem in het bloed zit. Met het oog daarop is het vreemd dat de grondslag van de vordering zo plotseling en radicaal gewijzigd is.

Oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad wijst erop dat het bestaan en de omvang van de schade door verminderd arbeidsvermogen na een ongeval dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het ongeval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade liggen in beginsel bij de benadeelde. In het geval van lestelschade mogen in dat verband echter geen strenge eisen worden gesteld. De reden daarvoor is dat het de aansprakelijke veroorzaker van de schade is die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen over hetgeen in de hypothetische situatie zou zijn gebeurd.

Met het oog hierop vernietigt de Hoge Raad de arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het oordeel dat redelijkerwijs getwijfeld kan worden of eiser een vergelijkbare carrière had kunnen realiseren als zijn studiegenoten, is onvoldoende gemotiveerd. Het rapport van de neuropsycholoog waarin wordt gewezen op de gebrekkige geestelijke gezondheid van eiser, is daarvoor naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende. Ook het enkele feit dat eiser in hoger beroep de grondslag van zijn eis gewijzigd heeft, kan het oordeel niet dragen. Nog afgezien van het feit dat eiser niet hoefde te verklaren waarom hij in hoger beroep een ander standpunt innam, heeft hij een dergelijke verklaring wel degelijk gegeven. Hij heeft immers aangevoerd dat hem in de hypothetische situatie zonder ongeval zou zijn gebleken dat de Poldermolen niet rendabel gemaakt kon worden en het onwaarschijnlijk is dat hij onder die omstandigheden deze molen zou zijn blijven exploiteren terwijl hij het diploma van de Swiss School of Milling had behaald.

De Hoge Raad verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing. Daarbij overweegt de Hoge Raad onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie dat het bij de beoordeling van de hypothetische situatie zonder ongeval aankomt op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen. De rechter heeft daarbij een aanzienlijke mate van vrijheid, maar het oordeel van de rechter dient wel consistent en begrijpelijk te zijn.

Of het Hof de vordering met toepassing van deze maatstaf zal toekennen en zo ja, in hoeverre, moet worden afgewacht.

Auteur: Daan Korsse