Succesvol verzoek om schadevergoeding wegens verlies van grond

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”) heeft bij uitspraak in hoger beroep van 1 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:524 het verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 7.14 Waterwet gehonoreerd.


Casus

Op 29 april 2014 heeft appellant een koopovereenkomst gesloten inzake de aankoop van een woning. Op 10 juli 2014 heeft de juridische levering plaatsgevonden. Op 15 oktober 2013 – vóór het sluiten van de koopovereenkomst van 29 april 2014 – heeft het waterschap een gebruiksovereenkomst gesloten met de oude eigenaar voor de uitvoering van werkzaamheden op zijn perceel. De uit te voeren werkzaamheden zijn omvangrijk en bestaan onder meer uit het verbreden van de watergang met twee meter en aanpassing van de bestaande hemelwaterafvoeren.

In artikel 2 lid 5 van de gebruiksovereenkomst heeft het waterschap zich verplicht een vergoeding te betalen aan de oude eigenaar. En artikel 9 bepaalt dat de verplichtingen die voortvloeien uit de gebruiksovereenkomst aan nieuwe eigenaren moeten worden opgelegd middels een kettingbeding in de koop-/leveringsakte. De oude eigenaar heeft echter nagelaten om het kettingbeding in de koop-/ leveringsakte op te nemen.

Appellant heeft in zijn hoedanigheid van eigenaar van het perceel aan het waterschap meegedeeld dat hij niet gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden. Voorts heeft appellant een verzoek om schadevergoeding gedaan.

Gelet op de omstandigheid dat appellant geen toestemming heeft gegeven om de werkzaamheden uit te voeren op zijn perceel heeft het dagelijks bestuur bij afzonderlijke besluiten een gedoogplicht opgelegd aan appellant en het verzoek om toekenning van schadevergoeding afgewezen. De motivering die ten grondslag ligt aan de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding is dat appellant op de hoogte was van het bestaan van de gebruikersovereenkomst, maar geen actie heeft ondernomen.

Grondslag voor schadevergoeding

De grondslag om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen kan worden gevonden in artikel 7.14 Waterwet. Op grond van dat artikel komt alleen schade die redelijkerwijs niet voor rekening van de betrokkene behoort te blijven voor vergoeding in aanmerking voor zover de vergoeding niet anderszins is verzekerd.

Risicoaanvaarding

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling (zie o.a. ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1319) dat sprake is van risicoaanvaarding indien: “Op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot investering rekening kon worden gehouden.”

In planschadezaken geldt een vergelijkbaar criterium (vgl. ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582): “De voorzienbaarheid van een planologische wijziging dient beoordeeld te worden aan de hand van het antwoord op de vraag of ten tijde van de investeringsbeslissing, bijvoorbeeld ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak, voor een redelijk denkend en handelend koper, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.”

Zowel in zaken waarin verzocht wordt om nadeelcompensatie als in zaken waarin verzocht wordt om vergoeding van planschade geldt dat rekening moet worden gehouden met de kans dat een maatregel wordt genomen.

Voorzienbaarheid

Uit de rechtspraak volgt dat voor het aannemen van voorzienbaarheid niet vereist is dat het bewustzijn van het risico daadwerkelijk bij de aanvrager aanwezig was (vgl. voornoemde uitspraak van 28 september 2016). Er is dus al gauw sprake van voorzienbaarheid.

De Afdeling overweegt in de onderhavige kwestie dat zelfs als het risico op het vergraven van gronden was te voorzien, zoals het dagelijks bestuur betoogt, dan laat dit onverlet dat appellant als eigenaar van de gronden er vanuit mocht gaan dat hij zou worden gecompenseerd voor met het vergraven van de gronden gemoeide verlies van grond op grond van het projectplan.

In ABRvS 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3134 (Wormerland) oordeelde de Afdeling dat appellant wél de mogelijkheid had om de voorziene planologische wijzigingen in de koopsom te verdisconteren. Door dat na te laten kon appellant risicoaanvaarding worden tegengeworpen, aldus de Afdeling.

In de onderhavige kwestie kan de vraag worden opgeworpen of appellant niet ook gebruik had moeten maken van de mogelijkheid om de schade die hij ondervindt als gevolg van het vergraven van de gronden door het waterschap in de koopprijs met de vorige eigenaar had moeten verdisconteren, gelet op de omstandigheid dat appellant tegen het projectplan een zienswijze heeft ingediend en derhalve voorzienbaar was dat er werkzaamheden op zijn perceel zouden plaatsvinden met als gevolg verlies van grond.

Door de Afdeling wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan de inhoud van het projectplan. Uit het projectplan volgt namelijk dat per eigenaar de hoogte van de vergoeding wordt uitgewerkt in een schriftelijke overeenkomst. Dat het dagelijks bestuur een schriftelijke overeenkomst heeft gesloten met de vorige eigenaar kan niet aan appellant worden tegengeworpen nu hij bij die overeenkomst geen partij was. De Afdeling overweegt expliciet dat het niet voor risico van appellant komt dat de oude eigenaar zich niet aan de verplichtingen tegenover het waterschap heeft gehouden door het kettingbeding niet op te nemen in de koopovereenkomst. Appellant heeft recht op een volledige schadevergoeding.

Wanprestatie

Het dagelijks bestuur kan de vorige eigenaar van het perceel op grond van artikel 6:74 BW aanspreken wegens het niet nakomen van de contractuele verplichting uit artikel 9 van de gebruikersovereenkomst. Vast staat dat de vorige eigenaar heeft nagelaten om het kettingbeding in de koop-/leveringsakte op te nemen.

Auteur: Nawal Bouayad