Cont(r)act met de overheid

Naar aanleiding van het recente arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:144) over bekrachtiging in de zin van art. 3:69 BW (lees voor een overzicht van dit arrest ook de blog "Hoge Raad: bekrachtiging vereist gerichte verklaring én ontvangst daarvan"), kijk ik naar de mogelijkheden van bekrachtiging en gebondenheid in situaties waarbij overheden betrokken zijn.


Binding op grond van art. 3:61 lid 2 BW

Via bekrachtiging op grond van art. 3:69 BW kan een partij (zoals een overheid) zich alsnog aan een rechtshandeling binden alsof de rechtshandeling krachtens volmacht is verricht, als de aanvankelijke volmacht ontoereikend (of non-existent) was. Een andere manier waarop toch binding kan plaatsvinden is via art. 3:61 lid 2 BW. Op grond van art. 3:61 lid 2 BW kan een privaatrechtelijke (rechts)persoon gebonden raken aan rechtshandelingen van een onbevoegde vertegenwoordiger, indien de wederpartij op grond van een verklaring of gedraging van de privaatrechtelijke (rechts)persoon heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. Anders gezegd: hoewel sprake is van een ontoereikende volmacht, heeft de pseudo-volmachtgever de indruk gewekt dat de volmacht wél adequaat is.
Deze schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid was aan de orde in het arrest HR 26 september 2003, JOR 2004/32 (Regiopolitie Gelderland-Zuid/Hovax BV). Hovax had vertrouwd op verklaringen van een ambtenaar van de Regiopolitie die niet bevoegd was de Regiopolitie te vertegenwoordigen. De Hoge Raad overweegt dat indien de wederpartij op grond van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, er ten processe van wordt uitgegaan dat zij ook daadwerkelijk op de bevoegdheid van de tussenpersoon heeft vertrouwd, tenzij degene in wiens naam gehandeld is, het tegendeel aannemelijk weet te maken.

Schijnbevoegdheid in het aansprakelijkheidsrecht

Toerekening van gedragingen van onbevoegden aan overheden heeft een daarop lijkende plek in het aansprakelijkheidsrecht verworven. Toerekening kan plaatsvinden als gedragingen in het maatschappelijk verkeer aan de bevoegde overheid moeten worden toegerekend (zie HR 6 april 1979, NJ 1980/34, Kleuterschool Babbel) waar een onrechtmatige gedraging van de wethouder aan de gemeente werd toegerekend en HR 25 juni 2010, AB 2010/334, (Provincie Gelderland/Vitesse over handelingen van gedeputeerden die aan de provincie toegerekend worden). Deze ‘schijnbevoegdheid’ kan – onder omstandigheden – zelfs (het primaat van) de formele bevoegdheidsverdeling doorbreken.

Bekrachtiging bij onbevoegd genomen besluiten

Bekrachtiging kan in het bestuursrecht nodig zijn bij een onbevoegd genomen besluit. Deze onbevoegdheid is vaak het gevolg van het ontbreken van een (toereikend) mandaat. Bekrachtiging kan dan op verschillende manieren plaatsvinden. De bekrachtiging kan worden vormgegeven door het nemen van een nieuw besluit door het ter zake bevoegde bestuursorgaan (welk besluit op grond van art. 6:19 Awb dan onderdeel van het eventuele geding wordt). Deze bekrachtiging leidt in principe bij de bestuursrechter tot een vernietiging van het onbevoegd genomen besluit met instandhouding van de rechtsgevolgen (art. 8:72 lid 3 Awb) voor zover geen andere gronden voor vernietiging aanwezig zijn. Het gevolg daarvan is automatische terugbetaling van griffierechten (art. 8:74 Awb) en in de regel een proceskostenveroordeling (art. 8:75 Awb).
Er is echter ook jurisprudentie waarin bekrachtiging plaatsvindt door de mededeling van het bevoegde bestuursorgaan dat het achter het bestreden besluit staat en een inhoudelijk gelijkluidend besluit zou hebben genomen als het had onderkend dat het zelf bevoegd was (zie ABRvS 16 januari 2013). Die bekrachtiging leidt niet tot een vernietiging van het onbevoegd genomen besluit.

auteur: Nikky van Triet