Wetsvoorstel Verbod winstuitkering door zorgverzekeraars strijdig met bescherming recht op eigendom

Het wetsvoorstel Verbod winstuitkering door zorgverzekeraars komt vandaag in stemming bij de Tweede Kamer. Het gaat om een initiatiefwetsvoorstel, dat is ingediend door de Kamerleden Leijten (SP), Bruins Slot (CDA) en Bouwmeester (PvdA). Het wetsvoorstel voorziet erin dat zorgverzekeraars niet langer winst kunnen uitkeren aan aandeelhouders, leden of werknemers. De indieners van het wetsvoorstel willen met de introductie van het verbod de maatschappelijke rol en positie van zorgverzekeraars in het zorgstelsel beter verankeren en bewerkstelligen dat de opbrengsten van zorgverzekeraars ten goede komen aan de zorg of aan verzekerden.


Op het wetsvoorstel is terecht veel kritiek geleverd. Zo is bepaald opmerkelijk dat in een voorstel dat beoogt uitkering van winst te verbieden een duidelijke definitie van die winst geheel ontbreekt en de handvatten voor handhaving van dat verbod op zijn minst gebrekkig zijn. In zowel de advisering van de Raad van State als in het parlementair debat van vorige week is echter de meeste aandacht uitgegaan naar de vraag of het verbod op winstuitkering wel in overeenstemming is met artikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. In die bepaling is het recht op de bescherming van de eigendom neergelegd. Voor- en tegenstanders van het voorstel zijn het erover eens dat het voorstel kan worden beschouwd als een regulering van eigendom zoals bedoeld in artikel 1. Dat betekent dat die regulering moet voldoen aan een drietal vereisten: zij moet zijn voorzien bij wet, het algemeen belang nastreven en er moet een ‘fair balance’ bestaan tussen de met die regulering gediende en geraakte belangen. De Raad van State is er niet zeker van dat aan die eisen wordt voldaan. Het kabinet evenmin: Minister Schippers (Volksgezondheid) waarschuwt voor schadeclaims en ontraadt het wetsvoorstel. De initiatiefnemers zien dat anders.

Wij zijn vooralsnog niet overtuigd van de juistheid van de visie van de initiatiefnemers. De schoen wringt voor ons met name op het vlak van de fair balance, dus van de proportionaliteit. Initiatiefneemster Bruins Slot omschrijft het met het wetsvoorstel beoogde algemeen belang als “de bescherming van de consument en de verzekerden”. Initiatiefneemster Leijten schetst als beoogd resultaat van het voorstel “een permanent verbod op winstuitkering voor alle zorgverzekeraars, onder alle omstandigheden”. Het belang is vaag en het instrument dat dit belang moet dienen oogt nodeloos radicaal. Het gaat nogal ver dat zorgverzekeraars − private ondernemingen − niet meer vrij over de door hen behaalde bedrijfswinsten kunnen beschikken. Natuurlijk kan de bescherming van consumenten en verzekerden als een algemeen belang worden beschouwd, maar zonder aard en mate van de nagestreefde bescherming nader te duiden, kan dat belang moeilijk op waarde worden geschat. Daarom kan met recht en reden worden betwijfeld of het nastreven van dat belang via de portemonnee van private partijen wel voldoende ‘fair’ is, te meer wanneer dat langdurig en ongeclausuleerd geschiedt. Zelfs als duidelijk zou zijn dat daarvan op wetgevingsniveau sprake is, is daarmee nog niet gezegd dat geen sprake is van een individuele buitensporige last voor bepaalde zorgverzekeraars. In dat geval zou de wetgeving voor hen toch niet voldoen aan de proportionaliteitstoets. Het lijkt ons verstandig om – zoals een door VVD-kamerlid Rutte ingediend amendement beoogt – de juridische houdbaarheid van het wetsvoorstel nog eens extern te laten beoordelen, al is ook duidelijk dat de initiatiefnemers daar weinig voor voelen. Als zij echter volharden in het voornemen hun doel te verwezenlijken via de botte bijl, moeten zij er niet van opkijken als de zorgverzekeraars hen met geslepen messen opwachten.

 

Auteurs:
Jacques Sluysmans
is bijzonder hoogleraar Onteigeningsrecht aan de Radboud Universiteit (Nijmegen)
Ruben Wiegerink is partner bij Van der Feltz advocaten (Den Haag).